De één z’n dood…
De aanblik van de grijze lucht op deze saaie dag deed niet vermoeden dat er nog iets opmerkelijks zou gebeuren vandaag. Het was echt zo’n vacuum gezogen dag. Je gaat alleen de deur uit omdat het nodig is. In dit geval was de broodtrommel zo goed als leeg behoudens een klein grijs muisje dat daar al een paar weken woont. Het kan verbeelding zijn maar sinds het muisje in mijn broodtrommel woont lijkt het brood veel eerder op te zijn dan ervoor.
“Het is niet koud”, constateer ik als ik eenmaal buiten ben. Zeker niet koud. Ook niet warm natuurlijk. Nee, warm is anders. De bakker is dicht bij huis dus veel tijd voor bespiegelingen op de temperatuur heb ik niet. De koperen deurknop voelt vertrouwd aan. De deur gaat moeilijk open, als altijd. De dranger op de deur staat erg strak afgesteld. Mensen met een rollator en ouderen in het algemeen komen niet of alleen met héél veel moeite binnen. Da’s ook een manier om de wachtrij te beperken. Oudjes kopen maar voorverpakt brood bij de supermarkt. Als je in de hongerwinter bloembollen gegeten hebt dan is er nìets mis met voorverpakt brood. Klinkt misschien wat hard, maar dat ìs het dan ook.
De winkel is bijna leeg. Er staat een dame af te rekenen. Ze heeft twee broden in haar tas en een rode muts op haar hoofd. De bakkersvrouw herkent me bij binnenkomst en lacht vriendelijk. Ik steek nonchalant een handje op en hou die net even te lang omhoog. Uit gewoonte, denk ik. De rode muts is klaar met betalen. Met een tas met brood loopt ze naar de deur. Ik kijk haar na. Ze tracht de deur te openen met één hand. Dat gaat erg moeilijk. “De deur gaat moeilijk open, hè?, mevrouw”
Ze kijkt niet om maar ik kan me haar door inspanning vertrokken gezicht in gedachten voorstellen. De deur wijkt licht en een kleine kier is zichtbaar. Net genoeg voor een Jahova om er een voet tussen te steken. De deur klapt weer dicht. Poging mislukt. “Het gaat niet, hè?”, probeer ik nog eens om een reactie los te peuteren. Ze kreunt als ze opnieuw een poging onderneemt. De bakkersvrouw wil net te hulp schieten als ik zeg “ik wil graag een half bruin zonnebloempitten brood met een kapje, alstublieft”. De reeds in gang gezette beweging naar de deur gaat naadloos over in een draai naar de plank achter haar op zoek naar een bruin zonnebloempitten brood.
“Gesneden?”, vraagt de bakkersvrouw terwijl ik de tweede poging van de rode muts gade sla om de deur te openen. “Heb ik gevraagd om gesneden brood?”, vraag ik terwijl ik naar de deur blijf kijken. “Uhh.. Nee”, zegt de bakkervrouw…. “Precies!”, opper ik met mijn rechter wijsvinger in de lucht. De deur is voor de tweede keer open. De rode muts probeert een voet tussen de deur te zetten om vervolgens haar lichaam tussen de deur en de deursponning te drukken.
“Maar u wilt altijd uw brood gesneden hebben”, spreekt de bakkersvrouw verbaasd. Dat is ook waar. “Nou, snijd het dan”, mopper ik, een klein wegwerp gebaartje makend. De rode muts heeft inmiddels haar arm en tas tussen de deur weten te wringen. Dan gaat het mis. De deur glijdt langs haar schoen en de ontstane kier wordt snel kleiner. De vrouw trekt vlug haar arm terug. Nog net op tijd, althans voor haar arm dan. De tas met brood zit geplet tussen de deur en de sponning. “Één euro vijf-en-dertig”, zegt de bakkersvrouw. Een ratelend geluid kondingt de geboorte van een kassabon aan. Mijn halve zonnebloempitten brood ligt verpakt op de toonbank.
De rode muts heeft poging drie in gang gezet. Nu ze beide handen vrij heeft trekt ze uit alle macht aan de deur knop. De deur gaat open en de tas met brood valt op de grond. Er slingeren een paar sneedjes brood op de grond.
“Één euro vijf en dertig?”, herhaal ik verbaasd, “was ik al klaar met bestellen dan?”. “Oh sorry hoor, normaal koop je alleen maar een half bruin zonnebloempitten brood”, zegt de bakkersvrouw. “Gesneden”, verbeter ik haar terwijl ze de kassabon ongedaan probeert te maken. Uit haar onbeholpen getik op de kassa kan ik opmaken dat ze niet vaak hoeft te corrigeren.
De muts heeft inmiddels de verloren sneedjes brood opgeraapt behalve één die net buiten haar bereik ligt. De deur is hard op weg om haar de winkel uit te drukken. Ik doe een pas opzij en trek de deur iets verder open en steek mijn voet ervoor zodat de deur open blijft staan. “Je had me best wel even kunnen helpen, hoor”, zeurt de muts. “Ja, had gekund”, bevestig ik.
“Wat mag het nog meer zijn?”, vraagt de bakkersvrouw die het verkeerde kassabonnetje inmiddels verdisconteerd heeft. “Nee, dit was alles, dank u”, zeg ik terwijl ik kijk hoe de rode muts nu eindelijk het pand heeft verlaten. De bakkersvrouw vloekt maar ik besluit dat te negeren. Ik wil net mijn voet voor de deur weghalen als ik zie dat een man de bakkerszaak wil betreden. Ondertussen krijgt de kassa de klappen die ik verdien. Met luide aanslagen wordt een nieuw kassabonnetje gefabriceerd. Mij wordt nog eens verzocht één euro vijf-en-dertig te betalen. Als de man zo goed als binnen is haal ik mijn voet weg en loop naar de toonbank.
Dan pakt de net binnengelaten man me vast en duwt me opzij. Hij heeft een pistool in zijn hand die op de bakkersvrouw gericht is. “Geld!… Geld!”, schreeuwt hij, “stop alles in deze tas”. De overvaller reikt haar een tas aan. De bakkersvrouw is in paniek. De angst staat op haar gezicht. Je kunt wel zien dat ze dit niet vaak heeft meegemaakt.
“Sneller”, schreeuwt de overvaller. “Zeg,… doe eens even rustig”, probeer ik de man te bedaren. “Kop dicht!”, schreeuwt hij en richt zijn pistool nu op mij. Dat doet me inzien dat me eigenlijk niet zoveel gelegen is aan het feit of die man wel of niet rustig is. Ik besluit me even gedeisd te houden. “Op je knieën”, sommeert de man. Ik doe net of ik het niet gehoord heb maar als hij het pistool opnieuw op me richt laat ik me door mijn knieën zakken. “Auw”, zeg ik. “Kop dicht!”, blaft de man.
“Kunt u enigszins haast maken?”, informeer ik bij de bakkervrouw, “ik voel me niet helemaal op mijn gemak, ziet u”. “Ik zei dat jij je kop moest houden, is het niet?”, dreigt de man. Hij komt weer op me af maar nu dreigt hij me te slaan met het wapen. Geknield tracht ik me nog kleiner te maken om de klap af te weren. Daarbij verlies ik mijn evenwicht en val in de richting van de aansnellende overvaller. Zijn standbeen staat op het sneedje brood dat de rode muts had laten liggen. Ik val vervolgens tegen zijn been aan waardoor hij uit balans raakt. Hij struikelt en laat zijn pistool even los. Dit is mijn kans. Ik probeer zo snel mogelijk in de richting van het wapen te duiken. De overvaller is sneller en grist het wapen onder me vandaan. Terwijl ik nog aan het landen ben staat de overvaller alweer op de benen. Hij is door het voorval duidelijk van zijn apropos gebracht.
“Opstaan!”, schreeuwt hij, “Langzaam… en ik wil je handen blijven zien”. Nu gaat er een heel ander windje waaien. De man is duidelijk in paniek. Het lijkt me dat hij dit beroep nog niet zo lang uitoefent. Het wapen is waarschijnlijk niet eens geladen. Of erger nog: het zou een bijna niet van echt te onderscheiden speelgoedpistool uit Spanje kunnen zijn.
“Komt u uit de buurt?”, vraag ik belangstellend. “Hou nou eens je kop dicht!”, schreeuwt de overvaller in paniek. Hij richt zijn wapen afwisselend op mij en dan weer op de bakkersvrouw. “Je moet gewoon stil zijn anders gebeuren er ongelukken. Doe je handen omhoog. Ik wil geen geintjes meer”. Ik wacht totdat hij het wapen niet op mij gericht heeft en roep “BOE!”. De man schrikt zichtbaar. Een oorverdovende knal volgt.
De bakkersvrouw zakt bloedspuwend in elkaar achter de toonbank. De steriel witte muur achter haar heeft een modern rood kleurtje gekregen. De overvaller slaat een hand voor zijn mond. Met grote ogen kijkt hij naar de enorme vlek op de muur. Dan kijkt hij naar mij.
“Dit is niet best”, constateer ik. “Oh oh oh… oh oh oh…”, kermt de overvaller… “wat heb ik gedaan?… Dìt was niet de bedoeling”. De man is buiten zichzelf. “Hoe erg is het?”, vraagt hij aan mij. “Geen idee”, antwoord ik naar beste geweten. “Ga kijken”, sommeert de man. Hij houdt het pistool inmiddels naar de grond gericht. Hij staat erbij als een geslagen hond. “Dood”, constateer ik, “morsdood”.
De overvaller huppelt zenuwachtig van z’n ene been op het andere been. “Dood?… echt dood?”, vraagt hij voor de zekerheid. “Als een pier”, bevestig ik. “Oh oh oh”, roept hij uit terwijl hij kleine rondjes in de bakkerszaak loopt. “We kunnen het best maar de politie bellen en gewoon alles vertellen over dit ongeluk”, opper ik. “Lul niet man! Ik draai meteen de bak in”. Geen politie. “Wat dan?”, vraag ik. “Ik weet het niet… ik weet het niet”. De overvaller loopt paniekerig door de winkel en kijkt op diverse plaatsen naar het plafond. “Zijn er camera’s hier?”, wil hij weten. “Niet dat ik weet”. Hij maakt nog één rondje, stopt zijn pistool in zijn jas en rent dan plotseling naar de deur en smeert ‘m. De tas met geld die achter de toonbank op de grond ligt vergeet hij.
Dat heb ik weer. Zo zit je thuis jezelf af te vragen waar al het brood toch blijft en het volgende moment bevind je je, in het lugubere gezelschap van een lijk, in een bakkerszaak. Een bijzonder slecht verhaal tegenover de politie, dus die kan ik beter niet bellen. Wat kan ik doen?
Ik pak mijn brood van de toonbank. Veeg het bloed van de papieren verpakking en ga naar buiten. Eenmaal buiten kijk ik even vluchtig beide kanten van de straat in. Het is rustig op straat. Ik heb me bedacht en ga terug naar binnen. Ik heb bij nader inzien toch nog wel trek in een gevulde koek en een moorkop voor vanavond. Achter de toonbank pak ik een gebaksdoos en vul die met de koek, gebakjes en moorkoppen. Als ik weer bij de deur ben bedenk ik me nog één keer. Ik loop terug en pak de tas met de inhoud van de kassa en wandel naar buiten.
Ik probeer zo onopvallend mogelijk te doen. Gelukkig ben ik een bekende in de buurt en val derhalve minder op dan een vreemde. Ik zwaai nog even, vriendelijk als altijd, naar buurvrouw Wijkstra van nummer vier-en-dertig alsof er nìets aan de hand is. Ze zwaait terug. Eenmaal de hoek om zie ik de overvaller bij de tramhalte.
Er staan vier controleurs om hem heen, één lijkt bezig zijn identiteit te controleren. Het zal niet lang duren voordat ze het wapen aantreffen maar ik besluit dat moment niet af te wachten. De volgende bezoeker van de bakkerzaak zal een sneeuwbal in werking stellen die onmògelijk aan hem voorbij kan gaan.
Eenmaal thuis zet ik een kop thee met een lekkere gevulde koek erbij. Ik heb het geld uit de tas inmiddels geteld. Het is een droevige constatering dat het leven van de bakkersvrouw niet meer waard blijkt te zijn dan honderd veertien euro en twee en negentig cent… Zou er nog wat leuks op TV komen eigenlijk?
Tags: asociaal, brood, dood, egoïsme, irritatie, onverschilligheid
November 8th, 2007 at 10:20
Briljant.
Ik val op mijn knieën en buig nederig mijn hoofd voor dit sluimerend, doch onstuitbaar literair talent!