Ma Belle de Bruxelles
Desondanks, of misschien wel juist omdat, helemaal niemand gevraagd heeft naar het verhaal achter de hostess op de Thalys volgt hier een integrale en volledige beschrijving van de gebeurtenissen aan boord. Kijk maar wat je ermee doet. Of niet. Zie maar, het is een beetje jouw dag vandaag, althans, de vijf minuten die zojuist verstreken zijn, dat waren jouw vijf minuten van deze dag. Zonde hoor, had je meer mee kunnen doen…
Parijs, zes december, kwart voor vijf in de middag, buiten is het zo goed als donker. Ik zit in het eerste treinstel van de nog stilstaande Thalys van Gare du Nord naar Bruxelles Midi. De trein vertrekt over tien minuten en langzaam druppelen reizigers de coupe binnen. Per zitrij zijn er drie zitplaatsen. Twee stoelen direct naast elkaar, dan het gangpad en dan nog een enkele stoel. Ik zit op een enkele stoel bij het raam, stoel één en tachtig voor diegene met gevoel voor detail. Ik zit met mijn hoofd tegen het ruit geleund en kijk naar het volk op het perron dat als mieren door elkaar heen loopt. Dan gebeurt het. Daar. Op dat moment.
De deur van de coupe gaat open. Uit gewoonte kijk ik naar de deur om te zien wie er binnen komt. Het kan geen kwaad om te weten met wie je in de trein zit. Ik kijk op om een glimp op te vangen en als automatisme wend ik mijn hoofd weer af. Als door een wesp gestoken beweeg ik mijn hoofd weer in de tegenovergestelde richting om de toegang tot de coupe te overzien. Daar loopt ze. Nee, schrijden is een beter woord. Daar schrijdt ze. Iedere stap lijkt seconden te duren. Flonkerende, hemelsblauwe ogen. Stralende glimlach. Prachtig zwart haar. Ze draagt een grijs jasje met bijpassende grijze pantalon. Onder haar arm heeft ze een stapel papier. Geen idee wat ze met zich mee draagt, eerlijk gezegd boeit me dat op dit moment ook helemaal niet.
Ik kijk naar haar gezicht terwijl ze haar weg door de coupe baant. Als ze dichterbij komt kijkt ze me aan. Ongekende schoonheid. Ik ben bang dat ik met open mond naar haar zit te kijken. Uit schaamte voor mijn gedrag wend ik mijn hoofd af. Niet alleen uit schaamte maar meer nog uit verlegenheid. Die verdomde verlegenheid ook altijd. Die speelt me mijn hele leven al parten. Feitelijk is alles voor het grijpen ware het niet dat mijn verlegenheid altijd tussen beide komt. Een groot sta-in-de-weg. In al mijn jaren ben ik niet in staat gebleken om over die verlegenheid heen te komen. En wat voor goeds heeft mijn verlegenheid mij gebracht? Niets! Nooit iets! Volgens mij ben ik beter af zonder. Maar ja, hoe kom je ineens van je verlegenheid af? Ik tracht haar in de weerspiegeling van het ruit te blijven volgen.
Waarom kan ik niet gewoon opstaan, haar aanspreken en zeggen ´jij en ik, samen… een goed restaurant, een betere wijn en een best gesprek. Wat zeg je ervan?´. Ze zou overdonderd zijn. Natuurlijk. Dat verwacht ze niet. Maar ze zou ook gevleid zijn, gevleid en geïmponeerd door mijn directheid. Zo was ze nog nooit benaderd, door niemand niet. Ze zou, op z’n minst, het aanbod overwegen. Dat is al meer dan nu. Ze ziet me waarschijnlijk niet eens. Nou, ik bedoel, ze ziet me nù wel, maar als ik haar straks op het perron zou zien dan zou ze dat niet meer weten. Als ik zou vragen ´heb je mij wel eens gezien?´ dan zou ze haar schouders ophalen en niet eens iets zeggen. Bovendien wat moet een dame als zij met een dromer als ik? Zij loopt over het water, ik ben al blij als ik mijn hoofd er bovenuit weet te houden. Dit om het verschil maar even aan te geven.
´Bon soir, monsieur´, zegt ze als ze bij mij in de buurt is. Het klinkt als een gedicht. Het moet aan mij gericht zijn. Verder heeft nog niemand zijn plaats ingenomen in het achterste gedeelte van de coupe. Achter mij is geen plaats meer, daar is de deur naar de volgende coupe. Ze opent die deur. ´Bon.. uhhh… uhh´. Ze is al weg. De deur sluit automatisch. ´.. s-s-soir..´, stotter ik tevergeefs. Oh, wat een afgang. Dit is nu precies wat je krijgt van verlegenheid. Ik hoop maar dat ik haar niet met open mond aan heb zitten staren. Ik voel mijn hart bonzen in mijn keel. Ik raak wel vaker geïmponeerd door schoonheid, maar dit is anders. Meestal is het niet meer dan het gevoel dat je krijgt van een prachtig schilderij. Je voelt een fascinatie en een aantrekkingskracht tot de afbeelding. Maar wat ik nu voel is duidelijk meer dan dat. Zo heb ik me nog nooit gevoeld.
Zou dit liefde op het eerste gezicht zijn? Een rare gewaarwording. Ze heeft de coupe reeds verlaten. Ik denk dat ze een plaatsje heeft in een andere coupe. Het zou mooi zijn als ik haar straks, in Brussel, nog even zie lopen op het perron. Gewoon om te kijken of ik hetzelfde gevoel weer krijg. Ik probeer afstand te nemen. Ik moet afstand nemen. Ik heb al meer dan eens mijn hoofd gestoten aan deze steen. Weet je wat het is met schoonheid? Schoonheid trekt alles aan, mooi èn lelijk. Ze staat toe dat je tot een bepaalde afstand nadert waarna ze je verstoot. Het verstoten is onvermijdelijk. Misschien vroeger, misschien later. Hoe dichterbij je mag komen, hoe later je wordt verstoten des te meer pijn het doet. Ik neem mijn verlies en op die manier beperk ik diepe rafelige vleeswonden tot schaafwonden. Als ik één ding geleerd heb dan is het om, in situaties als deze, de schade te beperken tot het niveau waar je het afkunt met zelfmedicatie. Een klein deukje in je zelfbeeld is gemakkelijk weg te poetsen met een flinke borrel. Ik leun met mijn hoofd tegen het raam en kijk naar buiten.
Waarom zou ik eigenlijk mijn verlies nemen? Je zal wel gek zijn om de handdoek in de ring te werpen voordat het gevecht is begonnen. Waarom durfde ik haar niet aan te spreken? Angst is het. Angst zeg ik. Maar waarvoor? Ik heb geen idee. Wat kan me gebeuren? Dat ze me uitlacht? Ze doet maar. Ze zal de eerste niet zijn en zeker de laatste niet. Ik kan het toch proberen? Nu weet ze niet eens dat ik hier zit of wat ze met me doet. Ik neem me plechtig voor dat ik me, in het eerst vookomende geval, anders ga opstellen. Ik stap gewoon op de dame in kwestie af en zeg het eerste dat in me opkomt, uiteraard binnen de grenzen van het betamelijke. Gewoon proberen. Ik zie wel wat er gebeurd. Ik glimlach. Dat kan nog rare situaties opleveren. En ach, als het niet lukt dan maakt het ook niet uit. Ik heb wel eens eerder een voornemen voor mezelf geruisloos aan me voorbij laten trekken. Niets nieuws wat dat betreft.
Ik begin weer terug te keren in mijn normale rustige gemoedstoestand. Het was een korte maar hevige storm maar nu ben ik mezelf weer. Inmiddels wordt het drukker in de coupe. In de dubbele stoelen naast me, gescheiden door het gangpad, is een iets ouder stel gearriveerd. Ik schat de man een jaar of vijftig en de dame een jaar of vijf en veertig. De man heeft zijn bagage reeds in het rek geduwd en is in de stoel bij het raam geploft. De dame probeert haar bagage op te pakken maar iedere keer als ze bukt valt haar schoudertasje naar beneden. Ze strekt zich, doet het schoudertasje op haar rug en bukt weer. Het schoudertasje glijdt weer naar beneden en valt op de grond. Ze zucht. De man verbergt zich achter een tijdschrift. Ik kijk geamuseerd naar het tafereeltje. De vrouw kijkt me narrig aan, ik glimlach vriendelijk terug. Ze heeft het tasje nu op de grond laten liggen en tilt haar bagage op. Ze wil die in het rek boven haar hoofd stoten maar daar is geen plek meer. Ze laat de tas weer op de grond ploffen. Ze pakt haar schoudertasje maar die zit vast onder haar bagage. Ze tilt de bagage op en met haar voet schopt ze het schoudertasje er onderuit. Ze laat de bagage weer zakken, pakt het schoudertasje op, strekt zich, en doet haar schoudertasje om haar schouder. We zijn terug bij af.
´Deja-vu´, zeg ik tegen de vrouw. Ze schrikt ervan. Kennelijk had ik op voorhand en in drievoud een schriftelijk verzoek tot spreken in moeten dienen.
´Pardon?´, vraagt de vrouw.
´Deja-vu. Dit heb ik al eerder gezien. Vijf minuten geleden verkeerde u exact in dezelfde toestand´, leg ik uit waarbij ik afwisselend naar haar bagage wijs en naar het bagagerek boven haar hoofd. De man kijkt stiekem over de rand van zijn tijdschrift. De samengeknepen pretoogjes doen een brede glimlach vermoeden.
De vrouw werpt me een lelijke blik toe. Ik wijs met mijn vinger naar het rek boven mijn hoofd waar nog plek genoeg is. Zonder iets te zeggen pakt ze haar bagage op. Haar tasje glijdt weer naar beneden en valt op de grond. Ze negeert het en richt zich op met de zware bagage die ze in het rek boven mijn hoofd probeert te stoten. Daarbij staat ze op mijn voet. Haar schoudertasje zit in de weg waardoor haar arm tegengehouden wordt. De tas met bagage mist het rek en dreigt op mijn hoofd te landen. Ik weer de tas af op zo’n manier dat het een meter verder in het gangpad belandt tesamen met het schoudertasje. Duidelijk hoorbaar breekt er iets in de tas als de bagage de grond raakt. De vrouw is boos en beweegt zich stamvoetend naar haar bagage en schoudertas. Ze raapt de schoudertas op en schopt tegen de bagage.
´Herman, help nou even. Die tas moet daar boven in het rek´. De man laat zuchtend zijn tijdschriftje zakken en staat op. Hij pakt de bagage op en doet die in het rek boven mijn hoofd.
´Heeft u er bezwaar tegen als ik deze bagage hier neerleg´, vraagt de man vriendelijk.
´Nee hoor, daar heb ik helemaal geen last van. Ga gerust uw gang´, bevestig ik. De vrouw heeft inmiddels een mobiele telefoon uit haar schoudertasje gehaald.
´Je hebt geluk dat hij het nog doet´, zegt ze tegen mij terwijl ze het mobieltje heen en weer zwaait.
´Hoezo?´, vraag ik, ´ik verwacht geen telefoontje. Zeker niet op dat toestel´. Tegen zoveel logica is deze vrouw niet opgewassen. Ze denkt even na of ze nog iets moet zeggen maar laat zich dan zwijgend in de stoel naast haar man ploffen. Ze zit even stil en dan begint ze tegen haar man te zeuren dat ze bij het raam wil zitten. De man laat zijn tijdschriftje even zakken, gebruikt de bediening in de armsteun om de zitting onderuit te laten zakken en pakt zijn tijdschrijftje weer op en leest door. De vrouw zucht nog een keer maar pakt daarna ook een tijdschriftje.
Al vijf minuten zitten ze zo naast elkaar. Ze hebben nog geen woord gewisseld met elkaar. Allebei zijn ze verzonken in de lectuur. Of ze doen alsof, dat kan ik niet beoordelen vanaf hier. Alles om maar te voorkomen dat je iets hoeft te zeggen tegen elkaar. Wat een passie. Ik kan niet wachten tot ik ook vijftien jaar getrouwd ben. Wat een feest. Zou die man zich ook zó gevoeld hebben, zoals ik zojuist, toen hij zijn vrouw voor het eerst zag. Zou dat vuur in nog geen vijftien jaar kunnen doven tot een waakvlam?
Meer en meer mensen maken zich gemakkelijk in hun, door het ticket aangewezen, stoel. De coupe is vol. Het duurt niet lang meer voordat de trein zich in beweging zet. Nog voordat de trein het station goed en wel heeft verlaten begint een omroepster de reizigers te verwelkomen in vier verschillende talen. Het belangrijkste van die mededeling is de aankondiging dat er binnen enkele ogenblikken een door Thalys aangeboden versnapering wordt rondgebracht. Een versnapering. Nou, ik heb wel trek in een versnapering. Kom maar binnen met de versnaperingen. Wilt u nog een versnapering? Een versnapering gaat er altijd in. Hier is uw versnapering. Dank u voor de versnapering. Ik spreek deze zinnen uit in mijn hoofd om alle smaken van het woord ‘versnapering’ te proeven. Het bevalt me niets. Dat hele woord ‘versnapering’ is van een lamlendige tuttigheid dat niet zou mogen bestaan.
Dan gaat de coupe-deur achter mij open en er wordt een karretje de coupe binnen geduwd. Op het karretje staan kannen, blikjes en bekertjes. Tot mijn stomme verbazing wordt het karretje geduwd door mijn schoonheid. Ze duwt het karretje over het gangpad naar de deur aan de andere kant van de coupe. Ze moet eerst naar de suite, een apart afgesloten gedeelte dat zich net buiten de coupe bevindt. Ze opent de coupe-deur waardoor ze de allereerste keer mijn bewustzijn binnenstapte. De deur sluit automatisch. Ze laat het karretje daar staan en ze loopt een paar treden op naar de suite. Dan komt ze terug en haalt drankjes van het karretje die ze naar de suite brengt. Dan komt ze weer terug en haalt uit het karretje twee schaaltjes met wat lijkt toastjes of kleine broodjes en gaat weer de treden op.
Mijn hart gaat weer bonzen. Ik heb net met mezelf afgesproken dat ik, in het eerst voorkomende geval, mijn verlegenheid zou negeren. Maar die belofte heb ik gedaan met de aanname dat ik haar niet meer tegen zou komen vandaag. Die afspraak was eigenlijk bedoeld voor een hele andere dag. Volgende week misschien. Of volgende jaar, dat komt me eigenlijk beter uit. Maar niet vandaag. Niet nu. Ik leun met mijn hoofd tegen het raam en kijk weer naar buiten. Het dreunen van de trein op de rails dreunt via het raam door naar je hoofd. Het eentonige ritme werkt ontspannend.
De coupe-deur gaat weer open en ze begint de mensen te bedienen aan het begin van de coupe. Het gaat niet snel. Ze moet drankjes inschenken en uitdelen en dan nog de ´versnapering´ aanbieden. Zou ze het ook een raar woord vinden? ´Versnapering´, bedoel ik. Ik kijk haar voortdurend aan. Het lijkt erop alsof ze het door heeft want iedere keer als ze klaar is met een rij kijkt ze mijn kant op. Ik duik weg en ga weer met mijn hoofd tegen het raam leunen. Het ritme van het dreunen van de trein gaat veel langzamer dan mijn hart. Zal ik het doen? Ik doe het gewoon. Waarom uitstellen? Omdat ik bang ben. Niets ervan: ik ga het doen. Ik pep mezelf op. Ik kan het. Tijger die ik ben. De trein dendert voort. Romme-bom. Romme-bom. Romme-bom.
Het duurt even maar dan is ze bij mij. Ik lig met mijn hoofd tegen het raam en heb mijn ogen dicht. Ik voel een hand op mijn schouder. Ik open mijn ogen en zie haar gezicht. Ze spreekt me met zachte stem aan in het Frans. Ik versta er helemaal niets van maar het klinkt prachtig.
`Ik spreek gee… uhh.. Je ne parle pas Français´, stamel ik wat onbeholpen. Dat was niet het begin waarop ik gehoopt had. Aan de andere kant voel ik me behoorlijk vrij. De verlegenheid lijkt verdrongen. Ik zie op de linker revers van haar jasje een naamplaatje. Waarom dat plaatje persé op borsthoogte moet zitten is mij een raadsel. Het maakt het er allemaal niet makkelijker op. Ze kijkt me recht in het gezicht. Als ik nu naar haar naambordje kijk dan laat dat een vreemde indruk achter alsof ik naar haar borsten kijk. Niet dat ik niet wìl kijken maar ik wil niet dat zìj ziet dat ik kijk. Als ik enkel naar het naambordje kijk dan denkt ze waarschijnlijk dat er iets mis is met haar linkerborst. Hoe kun je dit nu in vredesnaam een beetje deftig doen? Er is geen mogelijkheid om het naambordje te lezen zonder een rare indruk achter te laten. Ik laat het idee varen om een briefje in de ideeën-bus te doen met het voorstel dat cabine-personeel een hoedje moet dragen voorzien van naam.
Ik besluit om mijn ogen neer te slaan en op datzelfde ogenblik snel even te kijken op het naamplaatje op haar revers. Ik sla mijn ogen neer en neem ondertussen een vluchtige blik. Volgens mij ben ik daar mee weggekomen. Ik kijk omlaag. Ze ademt in en begint een zin: ´Ik heet…´
´Lieke´, onderbreek ik haar, ´en je maat is 70/C´.
Ik schrik van mezelf. Wat zeg ik nou weer? Ik heb eindelijk mijn verlegenheid een beetje onder controle en dan begin ik zomaar alles uit te blaten dat in mijn hoofd op komt. Het is me meteen duidelijk waarom ik zo verlegen ben. Zonder dat is er geen normale conversatie mogelijk. De heel normale intermenselijke communicatie protocollen worden met handen en voeten getreden. Mijn verlegenheid is er niet om mij te dwarsbomen, het is er om de mensheid tegen mij te beschermen. Ik verwacht een enorme uitbrander, want eerlijk is eerlijk: ik heb erom gevraagd.
´Bijna goed, je zit er één naast´, zegt ze laconiek alsof er niets gebeurd is.
´69/C dan?´, probeer ik, terwijl ik ongegeneerd naar haar borsten zit te staren. Oh, wat doe ik nu toch allemaal? Mij bevalt de ‘oude zelf’ beter dan de nieuwe. Beter verlegen dan dit onbeschofte gedrag. Ze beweegt haar hand naar mijn kin en met een zacht gebaar duwt ze mijn kin omhoog totdat mijn blik en haar blik elkaar ergens halverwege kruisen.
´Ik bedoelde één letter. Je zit er één letter naast´, zegt ze kalm.
´Onmogelijk dat het een B is, en een D lijkt me ook niet mogelijk´, denk ik bij mezelf, ´ik hou het toch op C´.
´Ik heet Lieve, met een ‘v’, en niet Lieke´. Ah, daar zat ik een letter naast. Het schaamrood staat op mijn kaken. Vooralsnog lijkt dit met een sisser af te lopen. Lieve kan natuurlijk niet vrijuit reageren. Ze is in functie. Aan de andere kant zou ze zó een aanklacht in kunnen dienen. En niet ten onrechte, dunkt me.
Lieve is een mooie naam. In mijn gedachten zie ik het briefhoofd al. ´Lieve Lieve´, zou ik schrijven. Prachtig. Daar kan ik wel wat mee. ´Lieve Lieve, lieverd´, mijmer ik verliefd als een bakvis. Gênant, en dat op mijn leeftijd. Inmiddels is Lieve op haar hurken gaan zitten en haalt elegant een schaaltje kleine broodjes uit het karretje. Met vergelijkbare gratie serveert ze me het schaaltje.
´Heb je trek in een broodje?´, vraagt Lieve, ´Dit is zalm´. Ze wijst een broodje aan dat belegd is met zalm. ´Heb je ook brie?´, vraag ik uit pure nieuwsgierigheid. Lieve spiekt even en wijst dan een ander broodje aan. ´Allez, dat is toch zeker brie´, stelt ze vast. Ze draait het schaaltje zodat ik het broodje met brie voor het oppakken heb. Ze kijkt me afwachtend aan.
´Dit lichaam hunkert niet naar brood maar naar een glimlach´, stel ik beslist. Wat is dat nu weer voor onzin? En waar komt dat vandaan? Misschien moet ik volgende keer eerst nadenken voordat ik iets zeg.
Desalniettemin breekt een stralende glimlach door op het gelaat van Lieve. Alsof de zon dwars door regen en bliksem ineens doorbreekt en de donkere lucht verjaagd. Ik smelt als sneeuw voor de zon.
´Wat bedoel je daar juist mee?´, vraagt Lieve.
´Die glimlach die jij me net gaf? Dat is genoeg om twee weken op te kunnen leven´, leg ik uit. Ze giechelt en hurkt om het schaaltje weer in het karretje te schuiven. Wat een werk. Ik had het schaaltje meteen even onder de neus van het saaie echtpaartje gehouden want die zijn na mij aan de beurt. Lieve niet. Lieve werkt het hele protocol van begin naar achteren af. Zo moet dat nu eenmaal.
´Wil je dan wat drinken, Smiles´, vraagt Lieve. Ze geeft me meteen een bijnaam. Smiles is een leuke naam. Als ik ooit een cavia neem dan noem ik ‘m Smiles. Dat is deze middag besloten. Lieve kijkt me afwachtend aan.
´Ik wil niet drinken maar verdrinken. Verdrinken in jouw hemelsblauwe ogen´, zeg ik ongehinderd door enige gêne. Ik begin al aardig te wennen aan spreken zonder nadenken. Het gaat me verbazingwekkend goed af. Lieve is even stil maar dan proest ze het uit.
´Pfffffrrrrtt… hahaha´, ze lacht. Lacht ze me uit? Lacht ze me toe? Ik geef toe dat het nou niet echt één van de beste opmerkingen was die ik ooit gemaakt heb. Ik besluit dat het me niets uitmaakt of ze me uitlacht of toelacht. Ze lacht.
´En als dat niet gaat? Wat zou je dan willen drinken?´, vraagt ze.
´Cola light is ook goed´, constateer ik.
´Dat heb ik niet meer. Daar was precies veel vraag naar´, excuseert Lieve zich.
´Zo ben ik ook goed´, zeg ik terwijl ik mijn twee lege handen laat zien.
´Ik regel wel wat´, zegt ze vastbesloten.
Lieve gunt me een glimlach en wendt zich tot het echtpaar. Bij het serveren van de broodjes pakt de man voor de hand weg. Zijn vrouw kijkt eerst wat voor broodjes er allemaal op het schaaltje liggen.
´Dit is zalm´, legt Lieve voor de zoveelste keer uit. Ze heeft engelen geduld. En dat is goed. Als het ooit wat wordt tussen ons gaat ze dat ook nodig hebben. Heel veel geduld. Zoveel is nu al duidelijk.
´Wat een feestelijke versnaperingen´, kirt de vrouw iets te luid. Ik krimp in elkaar bij het horen van het woord ‘versnaperingen’. Verschrikkelijk en dan die stem. Wat een mens is dat. Ineens begrijp ik die man van haar. Ik zou me ook verbergen achter een tijdschrift. Of nee, ik zou het tijdschrift oprollen en mezelf er net zolang mee blijven slaan tot ik dood was.
De vrouw heeft een broodje gepakt en kijkt naar het broodje van haar man die het al voor de helft op heeft. Lieve hurkt om het schaaltje op te ruimen. Ze kijkt naar mij. Ze maakt vreemde bewegingen met haar mond en rolt met haar ogen waarbij ze telkens weer scheel kijkt. Met haar mond zegt ze duidelijk het woord ‘versnaperingen’ jedoch zonder geluid. Ik kijk snel naar buiten en kom niet meer bij van het lachen. Niet alleen onbeschrijfelijk mooi maar nog humor ook.
Het voelt als een bevrijding. Ze heeft ook een hekel aan het woord ‘versnapering’. Ze heeft het tegen mij ook niet één keer gebruikt. Het lijkt niet veel maar toch is het onze eerste overeenkomst. Dat heeft toch een zekere betekenis. Ik zie het al voor me. We gaan voor het eerst na de aankondiging van onze verloving, dineren bij de ouders van Lieve. Vader en moeder zijn vriendelijk maar stiller dan gebruikelijk. Al vanaf het begin voel ik een zekere terughoudendheid. Als moeder het desert binnen brengt kan vader zich niet langer inhouden.
´Lieve, wat zie je toch in hem? Waarom wil je persé met ‘m trouwen?´, vraagt hij.
´Meneer´, zou ik voor mijn beurt spreken, ´Lieve en ik hebben veel gemeen. Zo hebben we allebei een hekel aan het woord versnapering. Wij versnaperen niet. Bij ons valt er niets te versnaperen. Op onze bruiloft? Geen versnaperingen! Op het feest erna? Geen versnaperingen! Niets te versnaperen! Nu niet!.. Dan niet!.. Nooit niet!´
Bij die laatste ´nooit niet´ zal ik mijn vinger ferm in de lucht steken om het gesprokene kracht bij te zetten. Lieve knijpt zachtjes in mijn andere hand. ´Mooi gesproken´, betekent dat. Ineens zou alles duidelijk worden voor haar ouders. Het neemt de laatste twijfel weg. Dat zijn zaken waar je een toekomst op kan bouwen. Lieve en ik. De fundering ligt er al.
Lieve opent de deur achter me en duwt het karretje de coupe uit. De deur sluit automatisch. De vrouw naast me zit van haar ‘versnapering’ te genieten en ik heb zin om haar te slaan. Ik doe het niet. Ik denk aan Lieve. Mijn lieve Lieve. Ik verbaas me erover hoe eenvoudig het is om een vrouw te benaderen als je je schroom een beetje opzij zet. Ze is nog maar net weg. Ik mis haar nu al. Gadver wat klef. Ik verbaas mezelf.
Dan gaat de deur weer open en komt Lieve binnen. Ze gaat op de leuning van mijn stoel zitten. Met haar benen duwt ze mijn benen weg om wat plaats te maken voor die van haar. In haar ene hand heeft ze een broodje en in haar andere hand een open blikje cola light. Ze neemt een slokje van de cola.
´Wil je een slok?´, vraagt ze terwijl ze het blikje tussen twee vingers voor mijn ogen heen en weer laat slingeren. Ik knik. Ze brengt het blikje naar mijn mond. Ik neem een slokje. Lieve houdt het blikje steeds schuiner. Ik kan het nog net binnen houden. Dan laat ze het blikje weer zakken. Het ging nog net goed. Ik moet lachen en doe alle mogelijke moeite om de cola in mijn mond te houden. Lieve lacht.
´Ik moest je zo niet plagen´, zegt Lieve troostend.
Ik schud ´nee´ met mijn hoofd maar ik denk ´plaag me… plaag me mijn hele leve lang, lieve Lieve´. Misselijkmakende klefheid en dat op een donderdagmiddag. Bah. Ik walg van mezelf hoewel ik me ervan bewust ben dat Frank Boeijen zijn hele euvre aan dit soort kleffigheden te danken heeft.
Lieve neemt een hapje van haar broodje zalm. Ze kauwt erop terwijl ze een beetje rond kijkt. Ik probeer met alle moeite de overvolle mond met cola door te slikken. Ze is ontspannen. Ze neemt nog een klein hapje. Ze is lief om te zien. Ik veins een kruimeltje op haar mond enkel om haar aan te kunnen raken. Met mijn handpalm raak ik haar wang. Mijn gestrekte vingers bestrijken de hele zijkant van haar gezicht. Met mijn duim veeg ik zachtjes over haar mond om het vermeende kruimeltje weg te halen. Haar lippen voelen zacht aan. Lieve houdt haar hoofd stil alsof ik haar kapsel aan het knippen ben. Eigenlijk wil ze nog een hapje nemen. Ik streel haar lippen met mijn duim. Lieve wordt ongeduldig.
´Is het kruimeltje nog niet weg?´, vraagt ze verbaasd.
´Allang´, antwoord ik koeltjes terwijl ik haar gezicht en lippen blijf strelen.
´Oh nou zit je mij juist te plagen´, zegt ze en ze beweegt haar hoofd naar achteren om het contact met mijn hand te verbreken. Ze woelt wild met haar hand door mijn haar. ´Rotjoch´, fluistert ze. Dan bukt ze zich voorover en kust me op mijn mond. Nu kan ik sterven.
´Huhum… Huhum´, klinkt het naast ons. Het uitgebluste vrouwtje neemt kennelijk aanstoot.
´Neem me niet kwalijk hostess maar ik zou graag een servetje willen hebben voor mijn mond´, zegt ze. Lieve springt onmiddellijk op om aan haar wens te voldoen. Ze opent de deur naar de andere coupe. Daar blijkt een klein keukentje te zijn waar de karretjes geprepareerd worden. De vrouw kijkt me met een gemene glimlach aan. Ze weet dat ze een prachtig moment kapot gemaakt heeft.
´Neem voor de zekerheid maar vier servetjes mee´, roep ik Lieve na, ´mevrouw heeft nogal een grote bek. Een enkel servetje is niet toereikend´. De man naast de vrouw zit schuddebuikend in zijn stoel zijn gezicht te verbergen. De vrouw kijkt me kwaad aan. ´Is er al gebeld voor me?´, vraag ik op cynische toon terwijl ik naar het mobieltje wijs dat ik helaas niet kapot gemaakt heb. Ze wend haar hoofd af en kijkt door het raam naar buiten. Ik pak snel het mobieltje en laat dat zacht op de grond landen. ´Mooi he?´, zeg ik tegen de vrouw, ´dat noemen ze nacht´. Het raam laat niet veel meer zien dan een zwarte vlek. Ze pakt haar tijdschriftje en bladert er woest doorheen. Dan staat de vrouw op. Ze is kwaad. ´Dit hoef ik niet te pikken snotneus´, schreeuwt ze tegen mij en ze stampt met haar rechtervoet op de vloer. Althans waar de vloer hoort te zijn. Haar rechtervoet landt op haar mobiele telefoon dat niet bestand is tegen zoveel geweld. De vrouw komt gelijk tot inkeer en kijkt beteuterd naar de overblijfselen van haar mobiele telefoon. ´Goh, zonde hoor´, toon ik mijn medeleven. Lieve keert terug en legt een aantal servetjes op het tafeltje van de vrouw. ´Als u nog meer nodig heeft dan kunt u me er altijd om vragen hoor´, zegt Lieve behulpzaam.
Lieve gaat weer op de leuning van mijn stoel zitten. We kussen niet meer. Het moment is gepasseerd. We praten. Over alles. Over niets. Het is duidelijk dat we bij elkaar passen. Als ik diep in haar ogen kijk zie ik een triestigheid die anderen bij mij ook altijd menen waar te nemen.
´Ben je gelukkig?´, vraag ik Lieve.
´Ja. Jij? Ben jij gelukkig?´, antwoord Lieve.
Ik pak haar hand en zeg ´nu wel´. Ze glimlacht. Ik smelt.
´Geloof je in liefde?´, vraagt Lieve.
´Ja, dat denk ik wel´, zeg ik enigszins overvallen.
´Nee. Niet denken. Geloven. Geloof je in echte liefde´, vraagt ze, ´Geloof je dat iemand van jou houden kan. Echt houden. Dus dat iemand net zoveel om jou kan geven als jij om de ander? Of misschien zelfs meer…´
Ik moet even nadenken.
´Nee, eerlijk gezegd niet´, beken ik.
´Dàt is jouw probleem´, zegt Lieve. Ik zwijg en denk na.
´Mijn probleem?´, informeer ik voorzichtig.
Lieve zucht zacht.
´Ik moet nog een ronde maken´, zegt Lieve. Ze staat op en verlaat de coupe.
´Mijn probleem?´, herhaal ik peinzend.
Lieve komt opnieuw tevoorschijn met het karretje uit de keuken en volgt dezelfde procedure als de eerste keer. Ik kijk haar na. Ik zie hoe de deur van de coupe zich automatisch achter haar sluit op weg naar de suite. Dan ga ik weer met mijn hoofd tegen het raam leunen. Ik denk na over mijn probleem hoewel dat snel overstemd wordt door het dreunen van de trein op de rails. ´Mijn probleem´, mompel ik, ´mijn pro-bleem´. Opdelen in lettergrepen helpt altijd. Vandaag niet. Na een korte, hevige doch verloren strijd sluiten mijn ogenleden zich automatisch eender de coupe-deuren. Tijd verstrijkt.
Het is net of de trein wild heen en weer geschud wordt. Ik rek me uit. Opnieuw wordt ik heen en weer geschud. Ik open mijn ogen. Naast me staat Lieve. Ze schudt me door elkaar. ´Wake up. This is the final destination. You have to get out, sir´, zegt ze. Als ze ziet dat ik mijn ogen open heb loopt ze door. Zonder glimlach. Zonder afscheid. De coupe is reeds verlaten met uitzondering van Lieve en ik. Als ik opsta om mijn spullen uit het bagagerek te halen zie ik haar de coupe verlaten. Ze kijkt niet om. De deuren sluiten zich automatisch achter haar. ´De verlegen dromer heeft alles gedroomd´, stel ik teleurgesteld vast. Het was ook te mooi om waar te zijn. Een verlaten en leeg gevoel overvalt me. Iets dat zich overigens gemakkelijk laat bestrijden met een middel uit het eigen medicijnkastje: sambucca.
Ik kijk in het bagagevak op zoek naar mijn jas. Er wordt op het raam getikt van de trein. Ik buk en kijk naar buiten. Het perron is reeds verduisterd. Het licht in de trein valt naar buiten en verlicht de prachtige glimlach die het gezicht van Lieve siert. Ze kust haar hand en blaast die kus mijn richting op. Dus toch! Maar waarom ineens zo afstandelijk? Heb ik iets verkeerds gezegd? Dat ik niet in liefde geloof? Ze balt haar hand en tikt nogmaals op het ruit. Het klinkt luid omdat ze haar ring gebruikt. Waarom tikt ze opnieuw tegen het raam? Ze heeft mijn volledige aandacht toch al? Dan pas dringt het tot me door. Ik schrik van de constatering. Ze heeft mijn reactie gezien, draait zich om en loopt naar de trap om het station te verlaten. Bovenaan de trap kijkt ma Belle de Bruxelles nog even om, ze zwaait en loopt de trap af. Trede-na-trede verdwijnt meer-en-meer van Lieve in het zwart van de Brusselse nacht. Lieve draagt een trouwring om haar vinger. Hoog tijd om thuis het medicijnkastje aan te vullen.
December 14th, 2007 at 8:58
Daar gaat ze
Een zoveel schoonheid heb ik nooit verdiend
Daar staat ze
Een zoveel gratie heb ik nooit gezien
Soms praat ze
Terwijl ze slapend met m’n kussen speelt
Ik laat ze
Zolang ze maar met mij m’n lakens deelt
Zo toepasselijk
December 14th, 2007 at 9:32
Heb je al een cavia gekocht?
December 14th, 2007 at 10:40
@Pieneke:
Ja, ik heb een cavia gekocht en zijn naam is Smiles. Het meisje van de dierenwinkel, ik mag Ellen zeggen, heeft me helpen uitzoeken. Smiles is helemaal zwart. Ellen vindt Smiles ook een leuke naam voor een cavia. Verder heeft ze de pest aan cavia’s.
Smiles is een grappig diertje. Hij kan zo leuk heen en weer rennen in zijn plastic zak maar daar is hij ineens mee opgehouden. Kennelijk zijn Cavia’s ook snel verveeld. Smiles ligt nu in de achtertuin vlakbij de coniferen. Er stond nergens op de plastic zak waarin ik Smiles kocht dat het diertje moest eten en drinken. Het meisje van de dierenwinkel, Ellen, heeft daar ook niets over gezegd toen ik Smiles kocht. Het is tragisch. Een nieuwe cavia kost toch al snel €25,-
Hier is een foto van Smiles genomen in de dierenwinkel.
December 14th, 2007 at 13:17
En heb je hier ook wat mee te maken?
http://www1.nu.tv/home/video/show/8996
December 14th, 2007 at 13:30
@Pieneke (in antwoord op: http://www1.nu.tv/home/video/show/8996)
Nee, daar heb ik niets mee (en ook niets mee te maken). Ik vind een grapje leuk en dat kan wat mij betreft niet grof genoeg zijn (zoals het laten stikken van Smiles in een plastic zak). Er is een groot verschil tussen iets opschrijven/suggereren en iets doen. Dit is ronduit schokkend.
Ik vind het onbegrijpelijk dat mensen in staat zijn om hulpeloze diertjes die, notabene door toedoen van de mens, volledig afhankelijk zijn van de mens op zo’n manier mishandelen. Ik kan daar erg kwaad en verdrietig van worden. Je mag het niet zeggen, daarom schrijf ik het, maar zulke gasten mag je van mij zo tegen de muur zetten. Ik zal er geen traan om laten.
December 14th, 2007 at 22:10
Dus jij bent een van die figuren die zijn hoofd tegen het raam legt!
Altijd loop ik rond in treinen, metros en trams, en zie ik allemaal vette vlekken op de ramen.
Ik vraag me altijd af wat voor soort mens het fijn vind om met zijn hoofd in de vette vlek van een ander te liggen.
Weet ik dat ook weer.
December 14th, 2007 at 22:11
geniale googleAd trouwens weer:
Verleid iedere vrouw
Mijn trukendoos leert je precies wat te zeggen tegen mooie vrouwen.
http://www.VrouwenVersieren.com