Onderzoekende geest

Geboren en getogen in ‘t Zandt en ik ben er trots op. Een kleine vlek op de kaart van Nederland, vallend onder de gemeente Loppersum. Er wonen nog geen duizend mensen in mijn dorp. Het is een hechte gemeenschap waar iedereen elkaar kent, ‘ons kent ons’, en waar je niets kunt doen zonder dat een ander het ziet. Hier wordt het leven geleefd als op oude ansichtkaarten. ‘T Zandt is een stille gemeente waar geen buitenstaander zich van bewust is. Tot afgelopen augustus, toen we groots in het nieuws zijn gekomen. Waar normaal gesproken het jongen van kalveren het grootste nieuws is hebben we nu te maken met een heuse brandstichter.

De brandstichter heeft het voornamelijk voorzien op de houten schuurtjes, stallen en andere uit hout opgetrokken objecten. Sinds de eerste paar branden is er een enorme klopjacht gehouden op de dader. Zonder resultaat. Ook in de eigen gemeenschap is iedereen alert maar behalve wat verdachtmakingen zijn er nooit concrete aanwijzingen gevonden. Dat is vreemd. De manier waarop en de keuze van de objecten die in brand zijn gestoken doet vermoeden dat de dader bekend is met de omgeving. Oftewel dat het een bekende is in ‘T Zandt. Iedereen kent elkaar en er is altijd wel iemand die weet waar een ander mee bezig is. Hoe kan het zijn dat niemand iets weet? Zou de dader toch niet uit de eigen gemeenschap komen?

Dit nieuws fascineert me mateloos, van het begin af aan. Niet alleen omdat er eindelijk eens iets gebeurt in ‘T Zandt, dat is al iets, maar ook de manier waarop de daden gepleegd worden. En vooral zonder opgemerkt te worden. Iemand is kennelijk in staat om in een hechte gemeenschap met dito sociale controle ongezien branden te stichten. Hoe is dat mogelijk? Er moet toch iemand iets gezien hebben? Als je met een buurmeisje zoent in een donkere steeg dan ben je de volgende dag het gesprek van de dag. Maar branden stichten blijkt ongezien te kunnen. Dit gecombineerd met het vermoeden dat het een dader uit de eigen gemeenschap moet zijn voedt mijn fascinatie.

Sinds de eerste berichten omtrent de brandstichtingen heb ik de artikelen uit kranten en tijdschriften geknipt en ingeplakt. Ik bezorg zelf kranten hier in ‘T Zandt maar soms moest ik zelfs naar naburige dorpen gaan omdat niet alle tijdschriften en kranten hier te koop zijn. Uit alle artikelen probeer ik informatie te halen dat een aanwijzing kan zijn richting de dader. Vooral het combineren van alle artikelen levert vaak aardige resultaten op maar helaas nooit specifiek genoeg dat je een vermoeden kunt hebben over de dader. Het is net of er meer informatie bekend is bij de journalisten dan ze opschrijven. Dat vermoed ik omdat je uit verschillende bronnen meer informatie krijgt dan uit één enkele bron.

In een dorp verderop heb ik een meisje leren kennen. Ze is inmiddels mijn vriendin. Ik ontmoette haar in een kiosk annex sigarenhandel waar ze achter de toonbank stond. Bij haar kocht ik de kranten die ik in ‘T Zandt niet kon krijgen. We raakte aan de praat en ik vertelde dat ik alles verzamelde over de brandstichter bij ons op het dorp. Zij volgde de zaak met eenzelfde fascinatie. Dat was opvallend. Natuurlijk, iedereen in het dorp sprak over nog maar één ding. Het gesprek bij de bakker en de kruidenier was altijd hetzelfde. De brandstichter. Toch zijn er geen mensen, die ik ken, die het volgen op een manier zoals ik dat doe en zoals mijn vriendin dat doet.

Ik heb alle plaatsen van de brandstichtingen naderhand bezocht en gesproken met politie en brandweer. Ook verslaggevers van de televisie heb ik graag te woord gestaan. Ik ben mezelf toch een beetje als de lokale expert op dit gebied gaan beschouwen. Op de plaats delict heb ik foto’s gemaakt en deze bij de artikelen in een plakboek geplakt. Als je de foto’s van de verschillende plaatsen delict naast elkaar legt zie je duidelijke overeenkomsten. Bijvoorbeeld dat de aangestoken objecten helemaal verbrand zijn. Het is niet zo dat bijvoorbeeld alleen de voorkant of juist alleen de achterkant is uitgebrand.

Het zijn allemaal aanwijzingen en daarmee is het belangrijke informatie die ik samen met mijn vriendin uitpluis en combineer. Ieder twee weken komt in ‘T Zandt de bibliotheek bus langs. We hebben boeken over branden en brandblussen geleend. Daarin hebben we onder andere verslagen gelezen van hoe de politie branden analyseert en hoe zij het ontstaan ervan achterhalen. Hele boeiende materie waar mijn vriendin en ik ieder vrije minuut aan besteden. Zo hebben we verschillende theorieën bedacht over hoe de branden kunnen zijn aangestoken.

Met op schaal nagebouwde schuurtjes van stukjes hout hebben we proeven gedaan door ze in de brand te steken, op verschillende manieren. Eerst het dak in brand. Of juist bij de deur aansteken of aan de achterkant. Of wellicht zelfs van binnen uit. Ook hebben we geexperimenteerd met verschillende ontstekingshaarden. Gewoon een vuurtje (lucifer) of aanmaak blokjes voor de barbecue. We hebben het geprobeerd met benzine en olie en andere brandbare stoffen. De restanten van de afgebrande huisjes zijn telkens anders. Als we proeven herhaalden op dezelfde manier dan kregen we dezelfde resultaten als in de eerdere proef. Zo kregen we een aardig inzicht in hoe een brand verloopt als je het op een bepaalde manier aansteekt. Al deze proeven hebben we uitgebreid beschreven en voorzien van foto’s in onze plakboeken.

Daarnaast zijn we ook andere invalshoeken gaan onderzoeken. Het kan natuurlijk een brandstichter zijn maar stel nou eens dat de eigenaren van de afgebrande objecten de brand zelf gesticht hebben? Dat zou verklaren waarom iedereen verklaart dat men niets gezien heeft. Je gaat immers jezelf toch niet in het verdachtebankje plaatsen lijkt me. Maar wat is dan het motief van de dader? Verzekeringsfraude? Dat lijkt uitgesloten. De objecten die afgebrand zijn vertegenwoordigen nauwelijks enige waarde. Het zijn een paar houten schuurtjes waar vaak geen kostbare eigendommen in zitten.

Zo zijn we bij de gemeente nagegaan wie de eigenaar is van een object en of er klachten waren uit de buurt over de betrokken objecten. Of er vergunningaanvragen zijn gedaan voor nieuwbouw of sloop. Het zou zo maar kunnen zijn dat als je geen vergunning krijgt voor de sloop van een object dat je er op een andere manier vanaf probeert te komen. Dit zijn allemaal mogelijkheden die we onderzocht hebben maar die leverde helaas niet veel op. Het zou ook niet slim zijn om je eerst bij de gemeente te melden en vervolgens je eigen gang te gaan. Dat zou opvallen. Zou er misschien één iemand mot met de gemeente gehad hebben hierover en dat de andere eigenaren gewoon op eigen houtje de brand erin gezet hebben? Ook bij de provincie vangen we bot als we zoeken naar bezwaarschriften tegen gemeentelijke bepalingen. Dat lijkt het dus allemaal niet te zijn.

Mijn vriendin en ik zijn ons steeds meer gaan richten op de mogelijkheid dat er inderdaad een brandstichter rondloopt in mijn dorp. Dat betekent dus ook dat we ons steeds meer met de technische kant van de zaak zijn gaan bezighouden. Zo zijn we gaan bedenken hoe je een brand kunt aansteken en vervolgens weg kunt komen. Je zou de brand moeten vertragen. Of op afstand moeten ontsteken. Op die manier kun je voorkomen dat iemand je gezien heeft op of vlak voor het moment dat de brand ontstaan is. Waar het eigenlijk op neer kwam is dat we aan het uitzoeken waren hoe je het best een brand kunt stichten. Van belang daarbij is dat het object volledig uitbrandt zodat er geen sporen achterblijven en dat je tijd hebt om weg te komen voordat de brand opgemerkt wordt.

Mijn vriendin en ik hebben meerdere scenario’s uitgewerkt en beschreven. Voor het aansteken zelf hebben we bedacht dat we een kaars kunnen gebruiken. We hebben verschillende kaarsen gekocht en uitgeprobeerd. Zo konden we een vertraging van een uur tot ongeveer drie uur realiseren. Als iemand je al ziet lopen drie uur voordat een brand wordt opgemerkt dan zal dat niet in verband gebracht worden met de brand. Zeker niet als je ook nog eens een sluitend alibi hebt. Dat je bijvoorbeeld bij een vriend bent langsgeweest. Het aansteken duurt hooguit een minuut en wie kan nu op de minuut nauwkeurig bepalen wanneer je ergens vertrokken bent en wanneer je ergens anders gezien bent?

Echter met een kaars alleen zijn we er niet. De kaars moet natuurlijk de brand gaan starten. Dus om de kaars moeten we genoeg brandbaar materiaal leggen om het de hele brand te voeden. We hebben we verschillende materialen uitgeprobeerd. Kranten bijvoorbeeld. Maar die branden niet lang en de kans dat een object daardoor in de as gaat is klein. Je moet iets hebben dat langer brandt. We hebben lijm geprobeerd maar na de proeven bleek dat er restanten van de lijm overblijven. Niet geschikt dus. Zo hebben we meer proeven gedaan. Uiteindelijk hebben we een manier gevonden waarbij we geen zichtbare sporen meer terugvonden en waarbij ons nagebouwde model helemaal verbrandde.

We hebben deze methode meerdere keren herhaald en iedere keer kregen we hetzelfde succesvolle resultaat. Deze methode hebben we beschreven als dé manier om een houten object in de as te leggen zonder dat je er zelf bij in de buurt hoeft te zijn. Deze methode hebben we nu al twee weken geleden helemaal beschreven en getest. En nog eens getest. Iedere keer is ons model schuurtje in de as gegaan. We hebben verschillende vormen model schuurtjes gemaakt en het resultaat was iedere keer succesvol. We waren hier trots op omdat we vermoeden dat de brandstichter inderdaad op deze manier te werk is gegaan. We zijn hem op het spoor. Weliswaar niet fysiek maar zijn werkwijze denken we reeds in kaart gebracht te hebben.

Mijn vriendin en ik hebben onze methode afgezet tegen alle achttien bekende gevallen van brandstichting. In één geval hebben we zelfs een model gemaakt van het object omdat het nogal afweek van onze eerder gebruikte modellen. Maar ook voor dit model geldt dat we een succesvolle brand konden stichten op deze manier. We hadden nu onze theorie wel rond. En hoewel we onze theorie op modellen geprobeerd hadden weten we natuurlijk niet of het in de praktijk ook werkt. Misschien is het hout van een object dat in de buitenlucht staat wel veel vochtiger waardoor onze methode helemaal niet tot totale verbranding leidt.

Door het uitblijven van nieuwe branden gingen we ons meer verdiepen in het mogelijke verschil tussen onze theorie en de praktijk. We hebben onze modellen eerst een week buiten gezet in regen en wind. En daarna opnieuw geprobeerd om het aan te steken op de door ons beschreven manier. Dat bleek allemaal te werken. Ons vertrouwen in de theorie groeide maar de twijfel bleef knagen. Onze modellen waren natuurlijk maar klein. Dat zou een groot verschil kunnen geven tussen theorie en praktijk. We zouden eigenlijk een grote schuur moeten bouwen en daarin hetzelfde experiment doen. Maar ik heb geen grote tuin waarin ik dat kan doen. Mijn vriendin heeft dat ook niet. We laten het idee varen.

Op een middag rijden mijn vriendin en ik op de fiets over de dijk naar huis. Ons oog valt op een vervallen huisje in de diepte met een vervallen houten schuurtje. `Zo’n schuurtje zouden we moeten hebben`, zegt mijn vriendin terwijl ze de polder in wijst. Ik kijk naar de schuur. Ik stop en mijn vriendin stopt een stukje verder, keert haar fiets en komt naast me staan. De schuur staat vrij. Er is weinig kans op overslaan. Het huis dat ernaast staat is leeg. Het is onbewoond. Mocht het overslaan dan zouden er in ieder geval geen slachtoffers vallen. We laten het idee varen. Het is eigenlijk van de zotte. We stappen weer op de fiets en hebben het er niet meer over.

‘S avonds begin ik toch weer over het schuurtje. Het is de ideale plek om onze theorie te kunnen bewijzen. Als dit werkt zouden we naar de politie kunnen stappen en uitleggen hoe wij denken dat de brandstichter te werk gaat en dat het meteen verklaart waarom de dader nooit gezien is. We zijn allebei gespannen. We moeten het wel doen om voortgang te houden in ons onderzoek. Dit is de gelegenheid om te zien of alle moeite en inspanning die we de afgelopen maanden geleverd hebben inderdaad tot iets geleid hebben. We spreken af dat we vroeg gaan slapen en dat we de volgende ochtend naar het verlaten huis aan de dijk gaan.

De ochtend breekt aan. We kleden ons snel aan en springen op de fiets. Het is niet erg ver naar de vervallen boerderij. Ik heb een rugzak mee waarin alle benodigde spullen zitten. We hebben een print mee van ons plan omdat we ons echt volledig willen houden aan de methode zoals we die bedacht hebben. We parkeren de fietsen achter de boerderij. Er komt dikwijls sluipverkeer over de polderwegen en hoe minder mensen onze aanwezigheid opmerken hoe beter het is. Het is koud. Mijn vriendin en ik gaan de vervallen houten schuur binnen. Binnen is er niet veel dat een brand in stand kan houden. Wat dat betreft is dit wel de ultieme proef. Als de hele schuur in de as gaat dan werkt onze methode voor de volle honderd procent. We pakken het plan erbij en richten alles in zoals zou moeten. We plakken de ramen aan de binnenkant af met wat papier. Dat is om te voorkomen dat iemand het flakkerende licht van de kaars opmerkt voordat de schuur in de brand gaat.

Na ongeveer zeventig seconden zijn we klaar en steken de kaars aan met een lucifer, daarna start ik de chronometer op mijn horloge. We hadden al beredeneerd dat we ongeveer een minuut nodig hadden en dat lijkt dus aardig te klopppen. Ik vouw ons plan weer in en stop het in de achterzak van mijn broek. Op de chronometer kan ik aflezen hoe lang het duurt van het moment dat ik de kaars aan stak tot het moment dat we de sirenes van de brandweer voorbij horen komen. Uiteraard is het onderdeel van het plan dat mijn vriendin en ik ons meteen uit de voeten maken. We verlaten de schuur en lopen naar onze fietsen. Ik heb mijn rugzak reeds op mijn rug en ik bespring mijn fiets. Mijn vriendin volgt me op twee seconden afstand. Als ik voorbij de boerderij de hoek om ga richting de oprit naar de dijk staan er drie politieauto’s op het erf van de boerderij. Een agent sommeert me af te stappen. Mijn vriendin krijgt dezelfde behandeling.

Wat we hier te zoeken hebben? Mijn tas wordt leeggehaald maar daar zit niet veel meer in. Na fouilleren wordt ons plan gevonden in mijn achterzak. De agent vouwt het uit en leest het aandachtig door. Hij roept een collega. Die werpt ook een blik op het papier. Mijn vriendin en ik worden in de boeien geslagen en achterin een politie auto gezet. We worden afgevoerd naar het politiebureau. Als we op de dijk rijden moeten we uitwijken voor een met sirenes aanstormende brandweer auto. Mijn vriendin huilt. Ik probeer haar gerust te stellen. `We kunnen echt wel hardmaken dat wij de brandstichters niet zijn`, probeer ik. Mijn vriendin stopt met huilen. We houden elkaar vast.

Op het politiebureau worden we van elkaar gescheiden. Ik word in een cel geplaatst. Er gebeurt heel lang niets. Ik heb geen idee hoe laat het nu is en hoe lang ik hier al zit. Mijn horloge is afgenomen. Er is nog niemand met me komen praten. Ik ga eens andersom op de stoel zitten. Ik hou wel van een beetje afwisseling in mijn leven.

Dan komt een agent me ophalen voor verhoor. Ik zit tegenover de agent aan een tafeltje. Hij zucht diep en slaat een map met papieren op tafel. `Dit is niet fraai…`, mompelt de agent, `helemaal niet fraai`. Ik wacht tot hij zwijgt en doe dan mijn verhaal. Hoe ik gefascineerd ben geraakt en dat ik onderzoek doe met mijn vriendin, dat ik de dader niet ben, dat ze de verkeerde te pakken hebben. Dat laatste haalt de trekker over van de agent. `De verkeerde?`, schreeuwt hij en volgt met een bulderende lach. `De verkeerde zegt ie`, buldert de man. Dan ineens buigt hij zich over de tafel en kijkt me streng, over de rand van zijn bril, aan. `Luister eens grappenmaker, de feiten liegen er niet om`, zegt de agent.

De agent verlaat het kamertje en ik wacht geduldig. Even later komt hij terug met een zware doos. Uit de doos haalt hij de plakboeken van mijn vriendin en mij. Hij bladert er even vluchtig doorheen en wijst wat foto’s aan. `Tenminste grondig voorbereid`, bromt hij terwijl hij wat foto’s van onze experimenten laat zien. `Wat moet jij met boeken vol foto’s van de brandstichtingen?`, vraagt de agent zonder een antwoord af te wachten. `Waarom hebben jullie de ultieme methode om houten schuren in de brand te steken bedacht? Waarom leen je boeken over branden en forensisch onderzoek? Waarom knip je alle berichtgeving uit over de brandstichter? Waarom ga je bij de gemeente navragen van wie de verbrande objecten zijn? Heb je nog meer mensen op je lijstje staan van wie je de eigendommen wil verbranden? Ben je trots op wat je gedaan hebt? Voel je je verheven boven de anderen? Denk je dat jij dit allemaal ongestraft kan doen? Waarom kom je iedere keer naar de plaatsen delict? Je weet toch wat wij altijd zeggen? Een dader keert altijd terug naar de plaats delict! Weet je hoeveel mensen niet meer durven te slapen dankzij jou? Smerige brandstichter! Weet je wat ze met jou zouden moeten doen…`

Dan breek ik. Ik barst in tranen uit. Ik ben bang. Al mijn inspanningen om de dader te vinden worden tegen me gebruikt. `Ik heb geen branden gesticht ik wilde alleen maar kijken of mijn plan zou werken`, snotter ik. `Tuurlijk`, bromt de agent, `jij wilde helemaal geen kwaad doen het was de boze meneer ‘de lucifer’ die alles in de brand stak, he?`…
`Jij bent een brave jongen. Het zijn de stemmen in je hoofd die alsmaar roepen dat alles in de brand moet he? Jij wil niet maar je moet van de stemmen. Jij hebt geen controle over jezelf. Je speelde vroeger zeker ook met poppen he? En met kleine pony’s met paars en groen haar? Je werd nooit gekozen bij het kiezen van voetbalteams? Het is allemaal de schuld van anderen maar niet van jou. Neeeee… jij bent zo braaf en onschuldig…`, de agent spuugt bij iedere lettergreep. Ik huil.

Vanaf hier gaat alles snel. `Brandstichter ‘T Zandt opgepakt` koppen de kranten. Alles dat voor me pleit wordt tegen me gebruikt. Ik wilde alleen maar helpen. Machteloosheid en eenzaamheid dringen zich op. Hoe ironisch: hetgeen we uit alle macht probeerde te voorkomen is het enige dat ons nu nog kan redden, meer branden.

2 Responses to “Onderzoekende geest”

  1. Sander Says:

    Applaus.

    Ik had toevallig alle artikelen ook al zitten lezen, maar kijk er nu toch weer heel anders tegenaan.
    Net of ik Jessica Fletcher even de plot heb horen uitleggen!

    Kudos!

  2. Pieneke Kaas Says:

    Pieneke zeurt graag : “Ik wordt in een cel geplaatst”. Met een “t”….natuurlijk…..

    Bedankt, ik moet inderdaad veel nauwkeuriger zijn. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik veel te vaak ‘ik’ met stam (op d) + ‘t’ doe :-(
    Vaak zonder na te denken.

Leave a Reply