Evenwichtige natuur

Uit een eerdere post waarin een hert een jager aan puin trapt hebben veel mensen de conclusie getrokken dat ik mordicus tegen de jacht ben. Dat beeld moet een beetje genuanceerd worden. Het is namelijk zo dat ik in het bijzonder tegen de plezier jacht ben en dan bedoel ik niet het drijvende vermaak van duizenden Nederlanders die bij mooi weer het ruime sop kiezen. Dan doel ik op de honderden zoniet duizenden mensen die gewapend met verrekijker en geweer de natuur in trekken om op wild te schieten omdat ze het leuk vinden.

Een ander vorm van jacht is de zogenaamde controlerende jacht. Het doel daarbij is om de wildstand te reguleren zodat en een zekere balans blijft in de natuur. De mens heeft namelijk de neiging om dieren te verdrijven uit gebieden om daar vervolgens woonwijken, pretparken en ander aards vermaak neer te knallen. Dan willen we niet hebben dat het oorspronkelijke wild naar ons leefgebeid terugkeert. Als er teveel dieren van een bepaald soort ergens leven dan moeten we ingrijpen en kan men door middel van de jacht de balans herstellen.

Het herstellen of in tact houden van de balans is iets waar ik zelf ook graag aan meewerk. Je moet er wel wat voor over hebben maar als je ergens in gelooft dan moet je het doen ook. Er voor de volle honderd procent achter staan bedoel ik. En dat doe ik. Zo moet je een jachtvergunning hebben, een wapenvergunning dus inclusief de jaren training op een schietschool om daarvoor in aanmerking te komen en bovendien een schoon strafblad. We willen geen aggresieve gastjes met een wapen op de heide los laten lopen. Om ongelukken te voorkomen mag je alleen op geidentificeerd wild schieten, dus niet op geritsel in de bosjes want voor je het weet ligt daar een stelletje het oliepeil te controleren.

Van te voren wordt zorgvuldig aangekondigd hoeveel er van welk soort geschoten mag worden en in welke gebieden. Als de jacht wordt geopend ben ik er als de kippen bij. ‘S ochtends vroeg haal ik mijn complete uitrusting van stal en prop alles in de auto. Dan is het nog een anderhalf uur rijden naar de veluwe waar je nog prachtige heide gebieden hebt. Ik parkeer mijn auto op één van de aangegeven parkeerplaatsen. Het liefst een beetje beschut want ik kan zo maar zes uur op jacht zijn. Ik ga bij voorkeur ’s ochtends vroeg nog voordat er andere jagers zijn. Dan kun je nog even van de natuur genieten. De stilte. De opkomende zon. Prachtig. En natuurlijk de voorbereidingen treffen. Ik kom immers niet om van de natuur te genieten maar om de natuur in evenwicht te houden. Niet goedschiks dan maar kwaadschiks.

Als ik genoeg genoten heb van de natuur dan graaf ik standaard ergens een kuil. Daarvoor ga ik minimaal dertig meter van het pad af. Vaak graaf ik me in op de grens tussen bos en open veld en dan het liefst nog een stukje het bos in maar wel zodanig dat ik vrij schot heb naar het open veld. De kuil moet ongeveer anderhalve meter diep worden dus dat is flink aanpoten geblazen, maar dan heb je wel een mooie schuttersput. Het voordeel van een put is dat de wind je lichaamsgeur niet verspreid. Omdat ik in een put zit en omdat het je lichaamsgeur niet verspreid draag ik dikke nylon regenkleding met lieslaarzen. De prooi komt dus argeloos zo dichtbij dat het bijna laf is om de trekker over te halen. Maar ja… iemand moet het doen he? Ik doe het ook maar om de natuur een handje te helpen. Meer is het niet. Ik vind het ook niet leuk.

Mijn put is inmiddels klaar en ik laat me erin zakken. De put is extra breed zodat ik er met gemak in zou kunnen gaan liggen. Een slecht plan omdat het gevaar van instorting altijd aanwezig is, voorzichtigheid is geboden. Jagen is geen spelletje, het is een serieuze aangelegenheid. Bovendien heb ik helemaal geen tijd om te gaan liggen daar de tijd is aangebroken voor het werk waar ik voor gekomen ben.

Het duurt niet lang of de eerste jager na mij trekt het gebied in. Lekker vroeg hoor. Op het pad loopt de jager met het geweer op de rug in de richting van het open veld. Ik fluit op mijn twee vingers een klein melodietje. De jager tuurt mijn kant op en ik zwaai met mijn gestrekte arm. Dan staat de jager stil en wijst naar mij. ‘Goedemorgen, kerel’, spreekt de man met een bekakt accent, ‘zit jij nou in een put?’

Ik geef geen antwoord op deze stomme vraag. Natuurlijk zit ik in een put of zou die man denken dat ik dertig centimeter hoog ben? `Heb je al wat zien scharrelen?`, vraagt de jager, `ik heb wel zin om wat te knallen`. Hij glimlacht en met zijn rechterhand draait hij puntjes aan zijn grote grijze snor. `Nee, ik heb nog niets gezien`, antwoord ik. `Een konijntje zou anders wel lekker zijn`, bralt de jager en zet een studentikoos lachje op. Ja, die opmerking zal er in gaan als koek op het dispuut. `Ik schiet met zwaar kaliber dus er zou niets overblijven van een konijn`, leg ik de jager uit. `Sjeezuss… man, jij bent serieus bezig`, zegt de jager, `dan schiet je zeker met een schot het hoofd van een hert eraf?`. Er volgt een bulderende lach alsof het grappig is. Ik kijk de jager meewarig aan. `Je hoort de schedel zeker kraken`, bralt de man. Ik lach niet. `Ja`, bevestig ik, `vaak wel`.
`Goede vangst`, zegt de jager en maakt aanstalten om weer door te lopen. `Ja, goede jacht`, antwoord ik. Een goede jacht zal het wel worden denk ik.

Nog voordat de jager het open veld bereikt heeft zie ik een hert aan de andere kant van het veld. Op een meter of zestig afstand, op de scheiding van het bos en de open plek graast een prachtig hert. Een flinke jongen dat zie je zo. Zijn warme adem vormt wolkjes in de vroege ochtendlucht die na enig sierlijk kringelen oplossen in de kou. Een prachtig schouwspel ik zou daar eigenlijk wat foto’s van moeten schieten, maar ja, ik ben nu hier om wat anders te schieten.

Inmiddels slentert het hert over het open veld mijn richting op. Het dier is op zoek naar begroeiing. De andere jager heeft het dier inmiddels ook opgemerkt en staat stil met het geweer op de schouder. Op dit moment heeft hij de betere positie. Mijn zicht wordt enigszins belemmerd door een boom. Het dier wisselt een paar keer van koers op zoek naar lekkere pollen groen. Het komt nu recht op me af. Het is een kwestie van geduld hebben. En tijdens het wachten kun je ook genieten van het dier. Ik heb mijn geweer reeds in de aanslag. Ik moet straks namelijk zo min mogelijk bewegen. Even je oog in het vizier houden, richten en de trekker over halen. Zo simpel is het. Het dier is op nog geen tien meter van me verwijderd. Het graast wat aan het gras aan de rand van het bos. Af en toe richt het hert zijn kop om en kijkt wat sullig om zich heen. Niet bewust van enig gevaar. Zijn kop is net achter een boom. De andere jager heeft waarschijnlijk een betere hoek. Ik kan de andere jager niet in z’n geheel zien want hij zit achter een boom. Wel zie ik zijn armen, kniëen en zijn rug.

Het hert heeft niets in de gaten en trekt pollen groen uit de grond. Op nog geen negen meter afstand van me. Ik ben bang dat de andere jager een beter schot heeft op dit moment. Ik moet of accepteren dat hij dit dier afschiet of ik moet snel handelen. Dan maar niet recht op het hoofd mikken. Ik kan ‘m ook in twee schoten afmaken. Ik trek mijn vinger strak op de trekker. Mijn vizier heeft in ieder geval vrij zicht op het achterdeel. Dan besluit ik mijn kans te wagen. Ik trek mijn vinger naar achteren en een oorverdovende knal verstoort de ochtendrust.

De momenten na het schot zijn hectisch. Allerlei kleine dieren vluchten snel weg. Ze rennen alle kanten op. Vogels vliegen op. Het is een hels kabaal. Ik hoor een dierlijke brul. Het beest staat nog op zijn poten. Normaal gesproken is het met één schot gedaan maar deze houdt zich staande door tegen een boom te leunen. Ik heb hem niet vol geraakt maar slechts in de rug. De poten trappelen onbehulpzaam op en neer op zoek naar stabiliteit en vastigheid. Dit is het ergste dat kan gebeuren. Het nodeloos lijden. Het vechten om te blijven leven. Het proberen rechtop te blijven staan tegen beter weten in. Gelukkig heb ik een dubbelloops geweer. Ik leg opnieuw aan, neem weinig tijd om te richten maar heb nu een vrij schot. Ik vuur. Ik hoor de schedel kraken. Dan slaat het lijf luid tegen de vlakte. Eindelijk. Het is over. In de verte hoor ik de echo van het schot verstommen. De rust keert weer in het bos. In mijn aderen giert de adrenaline nog als een storm door mijn bloed, maar het is gedaan.

Als in een roes til ik mijn rugtas en geweer uit de put en klim er vervolgens zelf ook uit. Dan ren ik naar de zojuist geschoten prooi. Het is geen fraai gezicht. De diepe vleeswond in de zij naar de rug toe en vervolgens de voltreffer in de kop. Ik pak beide achterpoten en sleur het levenloze lichaam naar mijn kuil. Na enig aanduwen met de spade past het uiteindelijk erin. Ik pak mijn fotocamera uit de rugzak en maak een paar foto’s. Daarna gooi ik de put dicht en dek het af met takken.

Ik blijf nog even op dezelfde plek rondhangen maar het blijft verlaten en stil. Dit was de eerste prooi van het seizoen. Ik sta nog een beetje te trillen op mijn benen. Ik besluit er maar meteen mee op te houden. Via het bos loop ik terug naar de parkeerplaats. Ik laad mijn spullen in de auto en vertrek, één andere auto achterlatend. Het is nog vroeg en dus stil op de weg. Pas vlakbij de snelweg kom ik een andere auto tegen. Anderhalf uur later ben ik thuis.

De hele dag denk ik nog aan de jacht van vanmorgen. Ik kan niet anders dan me toch een beetje schuldig voelen. Daar moet je gewoon overheen. De beste remedie is om meteen voor volgend weekend weer een nieuwe jachttrip te plannen. Op een gegeven moment ben je van het schuldgevoel af. Dan is het gewoon geworden. Ik ga vroeg naar bed die avond. De volgende ochtend neem ik ruim de tijd om de krant door te nemen. Mijn oog valt op dit artikel:

 

 

 

Update: Soms zijn er betere oplossingen.

One Response to “Evenwichtige natuur”

  1. Sander Says:

    In de goede traditie van “Woensdag gehaktdag” van Klinkhamer en “If I did it” van OJ Simpson!

    Heel netjes!

Leave a Reply