Ricochet
Met zijn zware, rauwe stem mompelt Chet een nauwelijks hoorbare vloek terwijl hij met beide handen de kraag van zijn lange lederen jas opsteekt met de bedoeling zijn hoofd bescherming te bieden tegen de regen en de tering-kou die de stad al de hele nacht in een wurggreep houdt. Chet is een acht-en-dertig jarige beroepsmilitair, nèt een week terug van één van de vele buitenlandse missies van de afgelopen tijd. Zijn heze stem klinkt opmerkelijk ouder dan je zou verwachten.
Sinds zijn terugkeer gaat Chet alleen nog ‘s nachts de straat op. Hij kan niet slapen en overdag is het hem allemaal tè druk. Het gonst in zijn hoofd en hij heeft rust nodig, geen gezeur aan zijn kop. Vooral geen gezeur. De situatie thuis is moeilijk. Zijn vrouw en twee kinderen hebben natuurlijk hun dagelijkse leven en Chet heeft meer en meer het gevoel in een andere wereld te leven. Chet houdt zielsveel van zijn vrouw, dat weet iedereen, maar zijn nukkigheid leidt, steeds meer, tot kleine woede uitbarstingen. Zij heeft haar dagelijkse zaken en maakt zich bijvoorbeeld druk over de prijs van capucijners. Chet kan dat allemaal geen zàk schelen. Voor hem zijn dat pietluttigheden. Onzin is het. Gezeur in de marge, en dat heeft hij niet nodig, gezeur.
De missies in het buitenland helpen niet om de situatie thuis te normaliseren, sterker nog, ze zijn directe oorzaak van de verslechtering van de verstandhouding. Als Chet openlijk zou bespreken wat hij allemaal aan beelden op zijn netvlies heeft staan zou zijn vrouw het misschien allemaal wel begrijpen. Maar hij kan het niet over zijn hart verkrijgen om haar daar deelgenoot van te moeten maken. Hij heeft er destijds voor gekozen om het vaderland te willen beschermen, zij niet. Maar ja, tussen vaderland beschermen en de met politiek doorspekte humanitaire missies zit een wereld van verschil.
Dat besef kwam des te harder aan toen Chet zijn beste maat Rico verloor toen ze in een hinderlaag waren gelopen. Ineens vlogen de kogels vanuit het niets in het rond. Rico kreeg de volle laag en raakte zwaar gewond. Chet en de mannen hebben uit alle macht getracht om bij Rico te komen die gelukkig nog enigszins dekking had kunnen vinden. Het was een langdurig gevecht maar uiteindelijk kon Chet bij Rico in de buurt komen om hem daar weg te halen. Terwijl Chet met Rico op zijn rug probeerde weg te komen bleef de vijand schieten. Ook op Chet en Rico. Er werd natuurlijk rugdekking geboden maar dat kon niet verhinderen dat de vijand bleef schieten. In de rug. Laaiend was Chet. Het was juist die woede die Chet de kracht gaf om met Rico op zijn rug de aftocht te blazen. Hij merkte niet eens dat hij een schampschot had opgelopen zo vol zat hij met woede en adrenaline.
Eenmaal op veilig terrein bleek dat Rico een kogel in het hoofd heeft gekregen, een tweede werd door zijn helm afgeketst en bezorgde Chet het, dan pas opgemerkte, schampschot. Rico was reeds overleden, het schampschot van Chet bleek ongevaarlijk. Het zou een kwestie zijn van schoonhouden en regelmatig opnieuw verbinden volgens de hospik. Het verlies van Rico deed de mannen hardop afvragen wat ze daar eigenlijk aan het doen waren. We komen toch om te helpen? Waarom schieten die mafkezen dan op ons? Probeer dat maar eens te begrijpen. Geef die gedachte maar eens een plek en probeer dan nog maar eens de motivatie te vinden om door te gaan. Door het geluk met het schampschot en het moedige gedrag om Rico te redden kreeg Chet de bijnaam ‘Ricochet’ (afgeketst projectiel). Hij was er trots op. Een eerbetoon aan zijn beste maat Rico en aan hem.
De ter aarde stelling van Rico was in het vaderland. Chet is in gezelschap van zijn vrouw bij de plechtige maar eervolle ceremonie aanwezig geweest. Zijn vrouw heeft Chet meermaals getracht te troosten. Dat gaat niet zo makkelijk. Chet heeft gezien hoe Rico laf werd aangevallen. Chet weet hoe er zelfs in de rug geschoten werd. En vergeet niet: Rico is op zíjn nek gestorven. Dat kun je niet uitleggen en dat heeft Chet ook niet geprobeerd. Hij heeft het proberen in te slikken want vergeten kun je het nooit. Het zal altijd onderdeel van zijn leven zijn. Het vreet aan hem, diep van binnen vreet het. Zozeer dat hij ‘s nachts niet kan slapen en de straat op gaat.
De nacht biedt genoeg rust en stilte. Chet heeft bemerkt dat drukte, mensen en vooral kleine opstootjes hem aangrijpen. Het brengt zijn geest terug naar het strijdtoneel. Zomaar. Van het ene op het andere moment. Dat is verwarrend. Chet moet er tegen vechten en met beide benen terugkeren op aarde als dat gebeurd. Felle lichten van een auto die de bocht om gaat of een laagvliegende helicopter. Het zijn allemaal zaken die Chet terugbrengen naar de angst van het slagveld. Hij moet zich concentreren om dan terug te keren naar het hier en nu. De auto is maar een auto. De helicopter is maar gewoon een helicopter. Het is moeilijk om daarover te praten. Hij is immers toch niet gek? Hij heeft het wel eens gezegd tegen een dokter in het militaire hospitaal. Die glimlachte, gaf Chet een klap op de gespierde rug, en zei: “slaap het maar af, jongen. Dan komt het allemaal goed”. De dokter wilde er niets van weten.
Chet loopt, zoals hij immers altijd deed, naar het centrum van de stad. Daar kom je af en toe en verdwaalde dronkaard tegen die zijn weg naar huis zoekt. Nauwelijks echte menigten, slechts kleine groepjes mensen die in een zekere relatie tot elkaar staan. Allemaal zaken waar Chet prima tegen kan. Hij voelt geen vermoeidheid, alleen een bonkende pijn in zijn hoofd. De dokter wijt de pijn juist aan het slaapgebrek. Maar slapen lukt niet. Al nachten niet. Het bonken in zijn hoofd is dermate indringend dat hij even tegen een muurtje van een pand moet hangen. Met beide handen grijpt Chet naar zijn hoofd. Hij voelt het kloppen, het bloed dat door zijn aderen raast op het ongelijkmatige ritme van zijn hart.
Voorbij het pand waar Chet tegenaan leunt is een smalle steeg waar, aan ieders gezichtsveld onttrokken, drie jonge gasten met petjes een oudere man bedreigen en beroven. Chet leunt met zijn rug tegen het gebouw als de regen overgaat in grote hagelstenen. Je voelt en hoort de hagelstenen slaan op ruiten en auto’s. Sommige hagelstenen zijn zo groot als knikkers. Chet beschermt zijn hoofd. Op dat moment gaat een auto de bocht om, raakt stuurloos door de hagelstenen en rijdt de middenberm op. Daarbij schijnen de koplampen in het gezicht van Chet. De auto komt de middenberm af en komt tot stilstand in een geparkeerde auto. Het alarm van de geparkeerde auto gaat vrijwel meteen af. Een loeiende sirene verstoort de rust op straat. Chet duikt naar de grond. Met onderarmen en voeten kruipt hij voorwaarts, zoals hij geleerd had. De klap van de botsende auto’s echoot nog na tussen de huizen en in zijn hoofd.
Chet bereikt de toegang tot de steeg en kruipt erin. Daar gaat hij plat op de grond liggen. Tegelijkertijd springt een licht met bewegingsmelder aan in de steeg. Chet kijkt geschrokken op. Als een haas probeert hij aan het zoeklicht te ontsnappen. De hagelstenen slaan nog steeds links en rechts in. In tijgersluipgang bereikt Chet de muur waar de lamp aan hangt en is zodoende buiten het bereik van het licht. De muur waar Chet strak tegenaan ligt walmt een lucht van pis, kots en staal die tot leven is gewekt door de zilte regen die langs roestige regenpijpen naar beneden sijpelt. In hoeverre Chet niet al was teruggekeerd is dit het laatste duwtje om hem terug te brengen naar de loopgraven.
Chet kijkt op en ziet drie soldaten vechten met een vijandelijke soldaat. Hoe heeft de soldaat levend onze loopgraaf kunnen bereiken? Hoe heeft hij weten door te dringen? “Stelletje zandhazen”, mompelt Chet als hij de drie soldaten angstig schreeuwend de vijand zien bedreigen. Chet grijpt naar zijn pistool maar dat is hij kennelijk kwijtgeraakt. Ook zijn mes zit niet op de plek waar hij het verwacht. Één van de drie soldaten kijkt geschrokken in de richting van Chet. “Secure the trench!”, schreeuwt Chet. Bij internationale missies is Engels de voertaal. De soldaat rent naar de andere kant van de loopgraaf en verliest daarbij zijn helm. Het zoeklicht is inmiddels uitgegaan. Chet springt op en rent naar de twee overgebleven soldaten. Één van de soldaten heeft een klein mesje in zijn hand dat door Chet meteen als soldaat-onwaardig wordt geclassificeerd. “How can you use this to disable an enemy?!”, schreeuwt Chet, “don’t go for the body with such a small knife”. De soldaat schrikt van de plotselinge aanwezigheid van Chet. Chet pakt het mesje af van de soldaat en maakt met een handige beweging een eind aan de vijandelijke bedreiging. Bloed gutst uit de wond in de hals. Chet hoort de vijand wat zeggen terwijl hij hem buiten gevecht stelt. “Ze beroven me”, zegt de vijand op het moment dat hij in elkaar zakt. Het dringt niet door tot Chet en hij negeert het omdat er vreemde dingen gebeuren. Chet ziet hoe de twee soldaten wegrennen. De soldaat die de loopgraaf moest verdedigen is ook nergens te bekennen. Chet is met stomheid geslagen. Dan stopt één van de soldaten en keert terug. Chet roept een paar instructies naar hem maar de soldaat graait alleen snel in de mantel van de vijandelijke soldaat, haalt er iets uit en rent weg samen met de ander die even op hem gewacht heeft. “Noooo!”, schreeuwt Chet, “don’t take his id. That is a crime. Don’t do that! Come back here!”. De soldaten rapen de verloren helm van de eerste soldaat op en verlaten de loopgraaf. De vijandelijke soldaat is inmiddels overleden. De rust keert terug in de loopgraaf. Chet voelt zijn barstende hoofdpijn weer en gaat naast de dode vijand zitten. Hij vecht er tegen maar valt uiteindelijk in slaap. Eindelijk rust.
Het geluid van sirenes maakt een eind aan de slaap van Chet. De sirenes van de politie-auto die op de melding van de botsing is afgekomen wordt gevolgd door een aanstormende ambulance. Chet hoort het geluid en neemt de dode vijandelijke soldaat op zijn nek om hem bij de medics af te leveren. Hij voelt zich zwak en het duurt enige tijd voordat hij de uitgang heeft bereikt. Als hij vlakbij het einde is springt de lamp met bewegingsdetector weer aan. Chet laat respectvol het lichaam van de vijand zakken en zet ‘m in een zittende houding tegen de rand. Dan verlaat hij de loopgraaf.
Een vrouw ziet Chet uit de steeg komen, helemaal bedekt met bloed, en geeft een gil. Chet kenmerkt de vrouw als gevaarloos en laat haar. Een aangesnelde politieman bekijkt Chet. De verwilderde blik in de ogen van Chet doet de agent besluiten zijn wapen te trekken. “Op de grond!, op de grond!”, schreeuwt de agent. Chet laat zich op zijn knieën zakken en doet zijn handen gevouwen in zijn nek. Een andere agent loopt de steeg in en vindt het eveneens met bloed bedekte lichaam van de oudere man. De aanrijding is nog maar bijzaak. De bestuurder van de auto wordt met de ambulance afgevoerd. Alles draait om de zonderlinge man die op zijn knieën op straat zit en de dode man in de steeg. Agenten vragen Chet wat er gebeurd is maar hij blijft alleen zijn naam, rang en nummer herhalen. Meer komt er niet uit. Naam, rang en nummer.
“Het kon wel eens lang gaan duren voordat de poorten naar de vrijheid weer open gaan voor hem”, denkt de bewaarder van de psychiatrische afdeling van het militair hospitaal als hij de deur achter Chet op slot draait. Chet bevindt zich in een kale cel. Een toilet en een metalen stapelbed, meer is er niet. Chet kijkt rond en denkt even na. Dan verplaatst hij met alle kracht in hem het stapelbed een halve meter van de muur. Hij springt op en trapt met beide benen tegen de muur. Het bed tuimelt en valt om. Chet heeft zijn hoofd tussen de spijlen van het bovenste bed gestoken. Het plan van Chet blijkt te werken op het moment dat zijn lichaam onder het omgevallen stapelbed ligt en zijn beknelde nek niet verder achterover kan buigen. De poorten naar de vrijheid openen zich. Eindelijk rust.
Opgedragen aan een ieder die nìet òf getraumatiseerd terugkeerd is van humanitaire missies en aan de hoop dat zij op meer steun, begrip, waardering en begeleiding mogen rekenen.
UPDATE: Dit is wel heel èrg wrang, dit verhaal is net geplaatst als dit bericht de wereld in gaat.
Tags: kort verhaal