Twee uur geleden

De haven, donderdagavond 23:52.

‘Dat het zo moet eindigen’ was de gedachte die Don maar niet uit zijn hoofd kon zetten. Nog geen twee uur geleden was hij één van de machtigste mannen van het eiland. Nog géén twee uur geleden. Nu staat hij hier op een verlaten kade in de haven. De motregen is overgegaan in een fikse bui. Don kijkt in de lopen van de pistolen alsof hij in de ogen van de dood zèlf kijkt. Zonder angst, zonder een woord want mensen die op iets wachten, praten niet. Hij heeft zijn hagelwitte kostuum aan dat weliswaar vloekt met de regen maar dat wel een waardig harnas biedt om in te sterven. Don wist dat hij niet oud zou worden maar dat hij nota bene door de laatsten van zijn eigen mannen aan zijn eind zou komen is een bittere pil. Het begon als een grap, een oude grap nog wel die ze jaren geleden al bedacht hadden. Don zal sterven voordat het vrijdag is.

Het Paradijs, donderdagavond 23:28

Twee donkere limousines razen met hoge snelheid de straat in. Vlak voor ‘Het Paradijs’ komen de auto’s tot stilstand. De voorste auto rijdt bruusk de stoep op, de tweede half. Een vervelende motregen zeurt uit de lucht. Uit de voorste auto komen vier donker geklede mannen die onmiddellijk naar de tweede auto lopen. Het portier wordt geopend en een kleine gezette man in een hagelwit kostuum stapt uit waarna ook de chauffeur de auto verlaat. Haastig en met driftige passen begeven de mannen zich richting ‘Het Paradijs’ dat wijd en zijds bekend staat als een louche café. Het is een publiek geheim dat het café door een misdaadbende gebruikt wordt als denkmantel voor allerlei zaken die het daglicht niet verdragen.

Het is niet druk in het café. De mannen lopen via een oude krakende houten trap haastig naar boven. Het bloedbad dat ze daar aantreffen tart iedere beschrijving. De mannen zijn verbaasd behalve Don, de man in het wit. Verspreid door de ruimte liggen zeven levenloze lichamen van hun makkers. Ze zijn afgeslacht in hun eigen hoofdkwartier. Het is er niet zachtzinnig aan toe gegaan. Meubels en kasten zijn verschoven en of omgevallen. Op de tafel die nog overeind staat ligt het lichaam van Tony. De mannen zoeken naar overlevenden. Geen van hun vrienden hebben de slachtpartij overleefd. Er wordt om vergelding geroepen.

Twee mannen tillen het lichaam van Tony van tafel en leggen het op de grond. “Don, kijk!”, roept één van de mannen terwijl de ander geschrokken achteruit deinst. Don komt naar voren. In de mond van Tony is een speelkaart gestoken. Don pakt de kaart en houdt deze omhoog. Schoppen aas, de handtekening van Carlos. De mannen schrikken bij de aanblik. “Baas Carlos” zegt één van hen vol ontzag. Don zakt huilend door de knieën. Carlos en hij runde samen deze hele organisatie. Ze waren als broers. “Hoe kon dit gebeuren?”, vraagt één van de mannen. Er ontstaat rumour. “Het is mijn schuld”, bekent Don terwijl hij op z’n knieën naast het lichaam van zijn broer Tony zit. Eén van de mannen trekt zijn pistool en houdt Don onder schot. “Voor de draad ermee, Don. Heb jij Carlos bedonderd en onze levens in gevaar gebracht?”
“Ik heb Carlos’ vrouw neergeschoten”. Er ontstaat een kort maar hevig opstootje, dat snel beëindigd wordt. Ze moeten weg hier want ze staan allemaal op de lijst van Carlos. Dankzij Don. De mannen pakken Don vast en begeleiden hem de trap af. “Wat gaan we doen?”, vraagt Don gelaten. “Naar de haven”, zegt één van hen.

Carlos' huis, donderdagavond 22:03

Don wordt ruim op tijd door zijn chauffeur aan de deur van Carlos huis afgeleverd. De chauffeur loopt terug naar de auto om die als uitkijk post te gebruiken terwijl Don, inmiddels binnen, zijn jas aan de kapstok hangt. Carlos en zijn vrouw Maria begroeten Don. Carlos maakt een opmerking over het hagelwitte pak van Don maar omhelst hem daarna gebroederlijk. Ze zijn hier bijeen om een deal te sluiten met een nieuwe distributeur. Carlos en Don ploffen neer op hun vaste stek aan de ronde tafel als Maria hen op afstand achterna loopt. Maria heeft een houten been en loopt daardoor wat moeilijk en langzaam. “Willen de mannen wat drinken?”, vraagt Maria. “Nee, straks, als ‘de nieuwe’ er is”, bromt Carlos. Maria verlaat het vertrek. “Als zij straks de drankjes komt brengen dan doen we de ’schiet eens op’-grap”, zegt Carlos glimlachend in de richting van Don die zijn pistool op tafel heeft gelegd. De gedachte dat ze hun grap eindelijk kunnen uitvoeren doet de mannen bulderen van het lachen totdat Carlos het pistool ziet. “In je zak”, zegt Carlos terwijl hij naar het pistool wijst, “ik wil geen wapens op de tafel waaraan mijn gezin eet”, bromt hij. Don verbergt het wapen.

Even later arriveert ‘de nieuwe’. Carlos laat hem binnen terwijl Don aan tafel wacht. Als Carlos het vertrek binnen komt loop achter hem een lange tengere man met een ingevallen gezicht. “Dit is ‘de nieuwe’”, zegt Carlos, “ga zitten waar je wilt”. De lange loopt naar de tafel en kijkt afwisselend naar de deur en de tafel. “Ik wil daar zitten”, zegt de nieuwe als hij naar de plek wijst waar Don zit. Carlos sommeert Don om op te staan en zijn plaats af te staan aan de nieuwe. “Ik zit altijd hier”, protesteert Don maar hij weet dat het zinloos is. Als Don staat schudt hij de hand van de nieuwe en gaat op een andere stoel zitten. Alles ziet er anders uit vanaf die plek.

Maria komt het vertrek binnen. “Willen de heren wat drinken?”, vraagt ze. Carlos introduceert zijn vrouw. “Drie whiskey’s en neem de fles mee”, sommert Carlos. De nieuwe lacht gemeen. Maria verlaat het vertrek. Carlos vult de tijd met wat praatjes over koetjes en kalfjes om het ijs te breken. Dan komt Maria terug met de drankjes. Bij iedere stap rinkelen de glazen omdat haar houten been niet meegeeft. Don heeft zijn hand al op het wapen dat in zijn zak zit. “Schiet eens op”, moppert Carlos tegen Maria. Maria kan niet vlugger lopen dan ze doet. Dit is het moment. Don trekt zijn wapen, richt op het hinkende been van Maria en roept “opschieten” en haalt tegelijkertijd de trekker over. De kogel zou zich in het houten been boren en ‘de nieuwe’ zou zich een ongeluk schrikken. Vooral omdat Maria, onvoorbereid als ze is, zeker ten val zou komen. Don en Carlos hebben al zo vaak om deze grap gelachen maar dit is de eerste keer dat ze ‘m ook daadwerkelijk uitvoeren.

De kogel raakt Maria in het been. Maria schreeuwt het uit en valt op de vloer. De nieuwe schrikt zich een ongeluk. Met grote ogen kijkt hij naar Maria en vervolgens naar Don en Carlos. “We hadden haar gewaarschuwd”, zegt Don luchtigjes. Maria blijft schreeuwen. “Dan moet je maar een keer doorlopen”, zegt Carlos nonchalant. Don begint hardop te lachen en Carlos doet met hem mee. “Sta maar weer op”, zegt Don koeltjes. “Ze heeft een houten been”, legt Don de grap uit aan ‘de nieuwe’ die het tafereeltje aanschouwt alsof hij water ziet branden. Maria schreeuwt van de pijn. Carlos staat op en gaat naast Maria zitten. “Bloed!”, schreeuwt Carlos paniekerig. “Je hebt in haar verkeerde been geschoten, klootzak!”. Maria ligt hevig bloedend op de grond en rilt alsof ze het heel koud heeft. “Ik schoot op het hinkende been”, verdedigt Don zichzelf. “Ze is gisteren gevallen en heeft pijn aan haar goede been. Je weet toch dat haar linker been van hout is?!”, briest Carlos. Don is verward. “Het komt ook omdat ik ineens op een andere plek moest zitten. Links is rechts en rechts is links. Ik heb op haar rechterbeen geschoten geloof ik”, stamelt Don.

Maria ligt in een steeds groter wordende plas bloed. De nieuwe staat op en gebruikt zijn zijden shawl om Maria’s been af te binden. Tervergeefs want Maria zou nog dezelfde avond sterven aan de schade die de kogel heeft aangericht. Carlos is overstuur en schreeuwt van woede “hier ga je voor boeten”. Carlos wil Don aanvliegen maar wijkt niet van de zijde van Maria. Don maakt zich snel uit de voeten. Hij vergeet zijn jas die aan de kapstok hangt en rent naar zijn auto.

De chauffeur ziet Don aan komen rennen en start de wagen. Don gaat naast de chauffeur zitten die zonder opdracht begrepen heeft dat hij volgas weg moet rijden. “Wat is er gebeurd?”, vraagt hij aan Don. Don schudt zijn hoofd. “Naar het Paradijs?”, vraagt de chauffeur. “Nee! Zeker niet naar het paradijs”, beveelt Don. “We rijden zuidwaarts de stad uit. Bij het eerste tankstation bellen we met Rico die een klus doet in het zuiden met vier man. We spreken met hen af dat zij ons bij het tankstation buiten de stad ontmoeten.

Het zal nog ruim een half uur duren voordat Rico en zijn mannen bij het tankstation zijn. In de tussentijd heeft Don zijn chauffeur opgedragen een stuk naar het zuiden te rijden en weer terug. Onderweg ben je veiliger dan stilstaand bij een tankstation. Beide auto’s ontmoeten elkaar op de afgesproken plek en gezamelijk spoeden ze zich naar “Het Paradijs”, het hoofdkwartier waar ze zich veilig wanen.

Leave a Reply